De Volkskrant kopte vanmorgen: ‘Man bij crèche omstreden’. Er gaan kennelijk stemmen op om mannen te weren uit de kinderopvang, ingegeven door de misbruikzaak die gisteravond aan het licht kwam. Het lijkt me de verkeerde oplossing, terug naar midden vorige eeuw om de aloude etiketten mannenberoep en vrouwenberoep weer van stal te halen. Volgens mij moeten we de zaak vanuit een omgekeerd perspectief bekijken.
Mannen in de crèche zijn niet per se dubieus, dat lijkt me een te beperkte visie. Ik geloof wel dat mensen (dus zeker ook mannen) met kwade bedoelingen en verknipte seksuele neigingen op zoek gaan naar plekken waar zich kwetsbare of zwakke(re) mensen bevinden die een makkelijk slachtoffer vormen. Ik denk aan functies of activiteiten bij de scouting, de jeugdzorg, de ouderenzorg, gehandicapteninstellingen, crèches en al die andere plekken waar afhankelijkheid en een bepaalde mate van macht samengaan en waar de pupillen, peuters of cliënten niet opgewassen zijn tegen de misbruikers.
Betere screening lijkt me gepast: grillen graag, al degenen die zich binnen deze (beroeps)groep aandienen. Verklaringen van goed gedrag, antecedentenonderzoek, referenties opvragen, psychologisch onderzoek etc. etc. En nooit alleen op een afdeling werken, maar minstens met tweeën. Van mij mag het allemaal. Camera’s ophangen lijkt me een prima aanvulling. Privacy is ondergeschikt aan veiligheid. En zeg nou eerlijk: in onze facebook-, hyves-, twitter-, linkedin- en webcammaatschappij waar iedereen zich altijd en overal laat beluisteren en bekijken zou het hypocriet zijn om geschokt te reageren op een paar camera’s op het werk. En ja, het is een simplistisch cliché: als je niks te verbergen hebt hoef je ook deze camera’s niet te vrezen. In winkels en instellingen waar ze waken over ‘uw en onze eigendommen’ zijn de medewerkers en bezoekers allang gewend aan die halve bollen in het plafond en die meedraaiende camera’s aan een pilaar. Ik haat de kreet, maar ik zeg DOEN!
dinsdag 14 december 2010
maandag 29 november 2010
Instanties
Mijn partner en ik verloren in september allebei een ouder; hij zijn moeder, ik mijn vader. Normaal heeft een mens al heel wat bemoeienis met instanties. Maar als er een ouder overlijdt dan komen daar een paar extra contactmomenten met instanties bij. Meestal omdat zaken nooit in één keer goed geregeld worden.
Ook al ‘zeggen ze’ dat de gemeentelijke basisadministratie (GBA) allerlei instanties op de hoogte stelt van een overlijden, je weet helaas uit eigen ervaring dat je nergens op kan rekenen. Dus je pakt na de begrafenis of crematie de telefoon en belt zoal naar: het ABP, de belastingdienst (IB), de belastingdienst (zorgtoeslag), de belastingdienst (huurtoeslag), het CAK, de ziektekostenverzekeraar, de Sociale Verzekeringsbank (AOW), de uitvaartverzorger over asbestemming en dankbetuigingen, de steenhouwer over de tekst in de steen, de bank om het tegoed van een begrafenisverzekering los te weken, Natuurmonumenten om een lidmaatschap op te zeggen, idem de personeelsvereniging waarvan overledene nog steeds uitnodigingen voor uitjes ontvangt, Ziggo om het tv-signaal stop te zetten, de thuiszorgwinkel die de scootmobiel moet ophalen, het zorgloket van de gemeente over het ophalen van een seniorenbed (geleverd door weer een andere thuiszorgwinkel) etc. Mocht u onverhoopt binnenkort met dit bijltje moeten hakken, dan heeft u vast een summiere checklist.
Laat ik er wat uitlichten.
CAK: ‘Ja mevrouw, we hebben het doorgekregen van de GBA; het is al verwerkt in de administratie. Waarschijnlijk ontvangt u binnenkort een restitutie over twee niet-genoten zorgweken in september.’ Kort daarna vallen vier enveloppen in de brievenbus. Twee voor moeder, twee voor erven van overleden vader. Bevestigingen van overlijden, aankondigingen van nieuwe beschikkingen. Half oktober ontvangen we: nieuwe beschikking voor moeder; nieuwe beschikking met acceptgiro voor vader: betalen graag over twee weken september en de hele maand oktober. Vader is al die tijd al overleden. Bellen maar. CAK: ‘Ja, nee, dat klopt natuurlijk niet. Excuses. Die 1035 euro hoeft u niet te betalen. Mevrouw, deze factuur blokkeren wij, de restitutie over september volgt binnenkort.’ Begin november: brief met nieuwe berekening van CAK voor overleden vader: binnenkort ontvangt u 1035 euro over oktober (?!) en restitutie september. Zucht! Laat maar.
Ouders wonen ruim twee jaar in een AWBZ-instelling (zorg met verblijf). We hebben een ordner vol brieven, beschikkingen en overzichten van het CAK en een baaierd aan gepleegde telefoontjes om kromme zaken recht te trekken.
Partner probeert tot afspraken te komen met de bank die de kleine begrafenisrekening beheert van moeder. Bank is opgegaan in andere bank en heeft regionaal vertegenwoordiger. Partner belt en stuurt schriftelijk verzoek - met gevraagde bescheiden - tot vrijgeven van de rekening. Bank niet tevreden. Wil akte van erfrecht (duur notarisstuk). Stond niet als vereiste in de voorwaarden en is niet in verhouding tot bedrag op de rekening. Bellen dus met regiovertegenwoordiger. Wil niet om. Bellen dus met hoofdkantoor (erg moeilijk te vinden), wil niet om. Verwijst terug naar regiovertegenwoordiger. Bellen maar weer. Wil niet om, maar rekening kan gedeblokkeerd als uitvaartondernemer factuur stuurt. Aha, licht in zicht. Wachten dus. Uitvaarondernemer gebeld. Zit te wachten op factuur crematorium. Iedereen wacht op iedereen. Factuur uitvaartondernemer valt net binnen. Zaak loopt nog. Steenhouwer is nog steeds niet toegekomen aan het graveren van één regeltje tekst op de grafsteen (duurt al twee maanden) en terugplaatsen van steen op het graf.
Nu denkt u misschien: valt wel mee. Maar de scootmobielophaler kan alleen op dagen dat jij niet kan omdat je dan werkt; het zorgteam van de instelling wil het bed van je vader al weg laten halen voordat de crematie achter de rug is. Daar moet je dus vierkant voor gaan liggen, met andere zaken zijn ze ook niet zo vlot. Natuurmonumenten stuurt gewoon weer een nieuwe ledenpas voor 2011 want kennelijk stond het abonnement formeel op moeders en niet op vaders naam. ING en minstens drie andere instanties sturen post nog gewoon naar het oude huis van partners moeder, terwijl ze allemaal geïnformeerd zijn en het huis inmiddels een andere huurder heeft.
We zijn er nog niet klaar mee, maar hebben net even een korte break gehad in Twente. Daar kunnen ze hun zaken gelukkig nog prima regelen hebben we gemerkt.
Ook al ‘zeggen ze’ dat de gemeentelijke basisadministratie (GBA) allerlei instanties op de hoogte stelt van een overlijden, je weet helaas uit eigen ervaring dat je nergens op kan rekenen. Dus je pakt na de begrafenis of crematie de telefoon en belt zoal naar: het ABP, de belastingdienst (IB), de belastingdienst (zorgtoeslag), de belastingdienst (huurtoeslag), het CAK, de ziektekostenverzekeraar, de Sociale Verzekeringsbank (AOW), de uitvaartverzorger over asbestemming en dankbetuigingen, de steenhouwer over de tekst in de steen, de bank om het tegoed van een begrafenisverzekering los te weken, Natuurmonumenten om een lidmaatschap op te zeggen, idem de personeelsvereniging waarvan overledene nog steeds uitnodigingen voor uitjes ontvangt, Ziggo om het tv-signaal stop te zetten, de thuiszorgwinkel die de scootmobiel moet ophalen, het zorgloket van de gemeente over het ophalen van een seniorenbed (geleverd door weer een andere thuiszorgwinkel) etc. Mocht u onverhoopt binnenkort met dit bijltje moeten hakken, dan heeft u vast een summiere checklist.
Laat ik er wat uitlichten.
CAK: ‘Ja mevrouw, we hebben het doorgekregen van de GBA; het is al verwerkt in de administratie. Waarschijnlijk ontvangt u binnenkort een restitutie over twee niet-genoten zorgweken in september.’ Kort daarna vallen vier enveloppen in de brievenbus. Twee voor moeder, twee voor erven van overleden vader. Bevestigingen van overlijden, aankondigingen van nieuwe beschikkingen. Half oktober ontvangen we: nieuwe beschikking voor moeder; nieuwe beschikking met acceptgiro voor vader: betalen graag over twee weken september en de hele maand oktober. Vader is al die tijd al overleden. Bellen maar. CAK: ‘Ja, nee, dat klopt natuurlijk niet. Excuses. Die 1035 euro hoeft u niet te betalen. Mevrouw, deze factuur blokkeren wij, de restitutie over september volgt binnenkort.’ Begin november: brief met nieuwe berekening van CAK voor overleden vader: binnenkort ontvangt u 1035 euro over oktober (?!) en restitutie september. Zucht! Laat maar.
Ouders wonen ruim twee jaar in een AWBZ-instelling (zorg met verblijf). We hebben een ordner vol brieven, beschikkingen en overzichten van het CAK en een baaierd aan gepleegde telefoontjes om kromme zaken recht te trekken.
Partner probeert tot afspraken te komen met de bank die de kleine begrafenisrekening beheert van moeder. Bank is opgegaan in andere bank en heeft regionaal vertegenwoordiger. Partner belt en stuurt schriftelijk verzoek - met gevraagde bescheiden - tot vrijgeven van de rekening. Bank niet tevreden. Wil akte van erfrecht (duur notarisstuk). Stond niet als vereiste in de voorwaarden en is niet in verhouding tot bedrag op de rekening. Bellen dus met regiovertegenwoordiger. Wil niet om. Bellen dus met hoofdkantoor (erg moeilijk te vinden), wil niet om. Verwijst terug naar regiovertegenwoordiger. Bellen maar weer. Wil niet om, maar rekening kan gedeblokkeerd als uitvaartondernemer factuur stuurt. Aha, licht in zicht. Wachten dus. Uitvaarondernemer gebeld. Zit te wachten op factuur crematorium. Iedereen wacht op iedereen. Factuur uitvaartondernemer valt net binnen. Zaak loopt nog. Steenhouwer is nog steeds niet toegekomen aan het graveren van één regeltje tekst op de grafsteen (duurt al twee maanden) en terugplaatsen van steen op het graf.
Nu denkt u misschien: valt wel mee. Maar de scootmobielophaler kan alleen op dagen dat jij niet kan omdat je dan werkt; het zorgteam van de instelling wil het bed van je vader al weg laten halen voordat de crematie achter de rug is. Daar moet je dus vierkant voor gaan liggen, met andere zaken zijn ze ook niet zo vlot. Natuurmonumenten stuurt gewoon weer een nieuwe ledenpas voor 2011 want kennelijk stond het abonnement formeel op moeders en niet op vaders naam. ING en minstens drie andere instanties sturen post nog gewoon naar het oude huis van partners moeder, terwijl ze allemaal geïnformeerd zijn en het huis inmiddels een andere huurder heeft.
We zijn er nog niet klaar mee, maar hebben net even een korte break gehad in Twente. Daar kunnen ze hun zaken gelukkig nog prima regelen hebben we gemerkt.
maandag 8 november 2010
Beth
Gisteravond ging Peter R. de Vries met Beth Holloway op bezoek bij Joran. In de Castro Castro-bajes in Lima. Vorige week zagen we het eerste deel van dit televisiedrama. Ik heb Peter R. normaal redelijk hoog zitten. Niet zozeer omdat hij kwaliteitstelevisie levert, maar omdat hij zich als een terriër vastbijt in zaken die ons rechtsgevoel aantasten. Vaak met succes.
Gisteren ging hij te ver. De interviewfragmentjes met Beth waren zwak. Het leek me dat zij vijf jaar nadat haar dochter verdween nog steeds in shock was. Ze kwam moeilijk uit haar woorden, leek op sommige vragen eigenlijk geen antwoord te hebben, maar ze probeerde Peter R. ter wille te zijn. Dat leverde treurige tv op. Arme Beth, steeds maar weer die open deuren van Peter tegenkomen, niet weten hoe je het nu weer moet formuleren, want alles is al gezegd (al duizenden keren) en toch proberen weer een paar zinnige zinnen aan het verhaal toe te voegen. Dat lukte niet.
Het bezoekje aan de gevangenis en de ontmoeting met Joran leverde even wat spanning, maar de confrontatie liep totaal mis en Beth – die zich zo dapper had voorgenomen Joran fiks aan de tand te voelen – bleek niet in staat haar rol goed te spelen. Dat kun je haar niet kwalijk nemen. Het is een bekend verschijnsel. Je bereidt je voor op een stevig gesprek – een sollicitatiegesprek, een slechtnieuwsgesprek, een gesprek met je partner over je ergernissen binnen de relatie – je weet wat je gaat zeggen en als het zover is blijk je een heel ander gesprek te voeren. Je verandert in een hakkelende stumper die geen twee woorden recht kan breien. Zoiets speelde zich af tussen Beth en Joran in de directiekamer van de bajes.
En dat zendt Peter R. dus ook helemaal uit. Het had hem gesierd als hij nog wat meer in zijn materiaal had geknipt en de boel in de studio beter had toegelicht. Zonder de cliffhangers, het gebral en de niet-ingeloste verwachtingen bij de kijker.
Kijk en huiver op http://www.peterrdevries.nl/programma-gemist/
Gisteren ging hij te ver. De interviewfragmentjes met Beth waren zwak. Het leek me dat zij vijf jaar nadat haar dochter verdween nog steeds in shock was. Ze kwam moeilijk uit haar woorden, leek op sommige vragen eigenlijk geen antwoord te hebben, maar ze probeerde Peter R. ter wille te zijn. Dat leverde treurige tv op. Arme Beth, steeds maar weer die open deuren van Peter tegenkomen, niet weten hoe je het nu weer moet formuleren, want alles is al gezegd (al duizenden keren) en toch proberen weer een paar zinnige zinnen aan het verhaal toe te voegen. Dat lukte niet.
Het bezoekje aan de gevangenis en de ontmoeting met Joran leverde even wat spanning, maar de confrontatie liep totaal mis en Beth – die zich zo dapper had voorgenomen Joran fiks aan de tand te voelen – bleek niet in staat haar rol goed te spelen. Dat kun je haar niet kwalijk nemen. Het is een bekend verschijnsel. Je bereidt je voor op een stevig gesprek – een sollicitatiegesprek, een slechtnieuwsgesprek, een gesprek met je partner over je ergernissen binnen de relatie – je weet wat je gaat zeggen en als het zover is blijk je een heel ander gesprek te voeren. Je verandert in een hakkelende stumper die geen twee woorden recht kan breien. Zoiets speelde zich af tussen Beth en Joran in de directiekamer van de bajes.
En dat zendt Peter R. dus ook helemaal uit. Het had hem gesierd als hij nog wat meer in zijn materiaal had geknipt en de boel in de studio beter had toegelicht. Zonder de cliffhangers, het gebral en de niet-ingeloste verwachtingen bij de kijker.
Kijk en huiver op http://www.peterrdevries.nl/programma-gemist/
Labels:
Beth Holloway,
Joran,
Peter R. de Vries
maandag 1 november 2010
Mama
(De moeder van Henriët woont in een zorgappartement. Ze heeft Parkinson en haar werkgeheugen en kortetermijngeheugen zijn aangetast. Vorige maand overleed haar man. Dat kan ze maar moeilijk onthouden. Ze is regelmatig even ‘de weg kwijt’.)
Vrijdagmiddag drie uur. De telefoon gaat.
“Hallo, met Henriët.”
Bijna fluisterend: “Met mama.”
H: “Hoi, hoe gaat het vandaag?”
M (heel zachtjes en langzaam): “Wat moet ik nou doen? Ik kom hier net binnen en er is helemaal niemand, wat moet ik nou doen?”
H: “Ben je bij de kapper geweest?”
M: “Ja, ik kom net terug, maar er is helemaal niemand. Ik weet niet wat ik nou moet doen.”
H: “Ga lekker even zitten. Ben je voor een permanent geweest?”
M: “Nee, voor een watergolf. Of nee, toch een permanent. Ik heb een bonnetje gekregen want ik had geen geld bij me. Het was 59 euro.”
H: “Er zat geld in je portemonneetje.”
M: “Oh, maar ik had geen tas bij me.”
H: “Nee, als je geen tas bij je hebt, dan heb je ook geen geld. Leg het bonnetje maar op tafel bij de post.”
M: “Nee, ik leg het op de televisietafel. Daar ligt een groene presse papier van papa. Daar leg ik het onder.”
H: “Oké dan. Heb je al thee op?”
M: “Nee.”
H: “Dan ga je lekker een kopje thee zetten en je krantje lezen, of de Libelle.”
M: “Ik moet de krant nog halen. Dat kan ik wel even doen.”
H: “Dan zet je vast theewater op in de waterkoker en ga je intussen de krant halen.” (Zodra ze het zegt weet ze dat het te moeilijk is.)
M: “Ik kan toch niet weglopen als de waterkoker aanstaat?” (Precies!)
H: “Ga dan eerst de krant halen en dan zet je thee als je terugkomt.”
Kwart voor vier. De telefoon.
H (op vriendelijke toon): “Hallo, daar ben je weer.”
M: “Daar ben ik weer.”
H: “Heb je al een kopje thee?”
M: “Nee, ik wilde je even zeggen wat voor post er is. Maar ik maak ze niet open.”
H: “Laat maar horen.”
M: “Even m’n bril opzetten. Een brief voor mij van de belastingdienst. En een brief van de Sociale Verzekeringsbank, ook voor mij. En een van de zorgpremie, ook voor mij. Maar ik maak ze niet open hoor.”
H: “Dat is goed, leg ze maar op tafel, dan zie ik het woensdag wel.”
M: “Kom je pas woensdag? Da’s nog bijna een hele week.”
H: “Nou, dat valt wel mee. Het is vandaag vrijdag en ik ben gisteren geweest én eergisteren.”
M: “Kom je morgen dan?”
H: “Nee, morgen kom ik niet. Ik kom één keer in de week, soms twee keer. Morgen niet. Dan heb je een rustig dagje alleen.”
M: “Oh, nou ik zal het wel redden. Moeten we zondag naar Hanna?”
H: “Nee, Hanna komt zondag naar u. Volgende week gaan we allemaal naar Hanna.”
M: “Dus je komt vandaag ook niet meer? Ik heb wel boodschappen nodig.”
H: “Ik heb boodschappen gehaald. Er is brood, boter en beleg, er is koffie, thee en melk en er zijn koekjes. Alles wat je de komende dagen nodig hebt, is er.” (Warm eten doet ze in het restaurant.)
M: “Maar de bloemen moeten weggegooid.”
H: “Dat kan je nog wel zelf. Daar kan ik niet speciaal voor komen van Tilburg naar Etten.”
M: “Nee, dat is ook zo.”
H: “Ga maar lekker een kopje thee zetten en een beetje lezen.”
M: “Dus je komt niet?”
H: “Nee, ik kom nu niet. Ik moet soms ook nog wat andere dingen doen. Ik ben de vloer aan het doen en Paul is aan het schilderen. Elke dag komen gaat natuurlijk niet.”
M: “Nee lieverd, dat snap ik wel. Ik wil je niet dwingen. Sorry dat ik je gestoord heb.”
H: “Je stoort niet hoor. Je mag altijd bellen, zomaar voor een praatje of als je het even niet meer weet. Al is het tien keer per dag. We zijn er natuurlijk niet altijd, maar dat merk je dan wel. Bel maar hoor, ik ben tenslotte je dochter.”
M: “Oké, dan ga ik nu maar thee zetten. We bellen wel hoor. Bel je me vanavond anders nog even?”
H: “Dat is goed, ik bel vanavond nog even.”
M: “Daaag, sorry voor het storen.”
H: “Je stoort niet hoor. Daaag! Tot vanavond.”
Vrijdagmiddag drie uur. De telefoon gaat.
“Hallo, met Henriët.”
Bijna fluisterend: “Met mama.”
H: “Hoi, hoe gaat het vandaag?”
M (heel zachtjes en langzaam): “Wat moet ik nou doen? Ik kom hier net binnen en er is helemaal niemand, wat moet ik nou doen?”
H: “Ben je bij de kapper geweest?”
M: “Ja, ik kom net terug, maar er is helemaal niemand. Ik weet niet wat ik nou moet doen.”
H: “Ga lekker even zitten. Ben je voor een permanent geweest?”
M: “Nee, voor een watergolf. Of nee, toch een permanent. Ik heb een bonnetje gekregen want ik had geen geld bij me. Het was 59 euro.”
H: “Er zat geld in je portemonneetje.”
M: “Oh, maar ik had geen tas bij me.”
H: “Nee, als je geen tas bij je hebt, dan heb je ook geen geld. Leg het bonnetje maar op tafel bij de post.”
M: “Nee, ik leg het op de televisietafel. Daar ligt een groene presse papier van papa. Daar leg ik het onder.”
H: “Oké dan. Heb je al thee op?”
M: “Nee.”
H: “Dan ga je lekker een kopje thee zetten en je krantje lezen, of de Libelle.”
M: “Ik moet de krant nog halen. Dat kan ik wel even doen.”
H: “Dan zet je vast theewater op in de waterkoker en ga je intussen de krant halen.” (Zodra ze het zegt weet ze dat het te moeilijk is.)
M: “Ik kan toch niet weglopen als de waterkoker aanstaat?” (Precies!)
H: “Ga dan eerst de krant halen en dan zet je thee als je terugkomt.”
Kwart voor vier. De telefoon.
H (op vriendelijke toon): “Hallo, daar ben je weer.”
M: “Daar ben ik weer.”
H: “Heb je al een kopje thee?”
M: “Nee, ik wilde je even zeggen wat voor post er is. Maar ik maak ze niet open.”
H: “Laat maar horen.”
M: “Even m’n bril opzetten. Een brief voor mij van de belastingdienst. En een brief van de Sociale Verzekeringsbank, ook voor mij. En een van de zorgpremie, ook voor mij. Maar ik maak ze niet open hoor.”
H: “Dat is goed, leg ze maar op tafel, dan zie ik het woensdag wel.”
M: “Kom je pas woensdag? Da’s nog bijna een hele week.”
H: “Nou, dat valt wel mee. Het is vandaag vrijdag en ik ben gisteren geweest én eergisteren.”
M: “Kom je morgen dan?”
H: “Nee, morgen kom ik niet. Ik kom één keer in de week, soms twee keer. Morgen niet. Dan heb je een rustig dagje alleen.”
M: “Oh, nou ik zal het wel redden. Moeten we zondag naar Hanna?”
H: “Nee, Hanna komt zondag naar u. Volgende week gaan we allemaal naar Hanna.”
M: “Dus je komt vandaag ook niet meer? Ik heb wel boodschappen nodig.”
H: “Ik heb boodschappen gehaald. Er is brood, boter en beleg, er is koffie, thee en melk en er zijn koekjes. Alles wat je de komende dagen nodig hebt, is er.” (Warm eten doet ze in het restaurant.)
M: “Maar de bloemen moeten weggegooid.”
H: “Dat kan je nog wel zelf. Daar kan ik niet speciaal voor komen van Tilburg naar Etten.”
M: “Nee, dat is ook zo.”
H: “Ga maar lekker een kopje thee zetten en een beetje lezen.”
M: “Dus je komt niet?”
H: “Nee, ik kom nu niet. Ik moet soms ook nog wat andere dingen doen. Ik ben de vloer aan het doen en Paul is aan het schilderen. Elke dag komen gaat natuurlijk niet.”
M: “Nee lieverd, dat snap ik wel. Ik wil je niet dwingen. Sorry dat ik je gestoord heb.”
H: “Je stoort niet hoor. Je mag altijd bellen, zomaar voor een praatje of als je het even niet meer weet. Al is het tien keer per dag. We zijn er natuurlijk niet altijd, maar dat merk je dan wel. Bel maar hoor, ik ben tenslotte je dochter.”
M: “Oké, dan ga ik nu maar thee zetten. We bellen wel hoor. Bel je me vanavond anders nog even?”
H: “Dat is goed, ik bel vanavond nog even.”
M: “Daaag, sorry voor het storen.”
H: “Je stoort niet hoor. Daaag! Tot vanavond.”
Labels:
mama,
Parkinson,
werkgeheugen,
zorgappartement
donderdag 21 oktober 2010
Rust a.u.b.
In onze straat – op een hoek – woont een gepensioneerd echtpaar. Hij lijkt wat op Piggelmee, zij op het vrouwtje van Piggelmee. Lief stel is het. Ze zijn erg gesteld op een nette, schone en geordende omgeving, dus wordt er veel geveegd. Elke dag, zomer en winter, zijn ze wel een tijdje op straat te vinden. Vegen, vegen en nog eens vegen. Niet alleen het spreekwoordelijke ‘eigen straatje’; nee, ook het belendende fietspad en de stukjes om de linker- en rechterhoek krijgen een veegbeurt. Als er ’s morgens geveegd is en het is ’s middags weer een rommeltje, dan begint het ritueel opnieuw.
Geen probleem, toch? Neuh, totdat hij twee herfsten geleden de bladblazer ontdekte. In de zomer doet de bezem nog goede dienst, maar zodra het eerste randje rood aan het blad verschijnt, haalt Piggelmee de bladblazer tevoorschijn. Dan is het plots minder leuk. Het nare gezoem begint al ’s morgens en duurt gerust een uurtje of twee, drie. ’s Middags vallen er ook blaadjes, dus … inderdaad.
Als thuiskantoorhoudende zzp’er heb je omgevingsrust nodig. Nou ja, niet iedereen, maar ik wel. De veegwagens van de gemeente en de puttenzuigers kun je nog wel hebben (want dat gebeurt niet te vaak). Ook van de heli’s en vliegtuigen van de vliegbasis word ik niet onrustig. Maar zodra de knop van de bladblazer aangaat word ik pislink. Ik houd me in, maar ik zou Piggelmee wel aan het andere eind van zijn omgekeerde stofzuiger willen zien.
Vanmiddag was hij al een paar uurtjes rustig, de buur. Tweemaal daags is voor hem toch wel de limit (ook al wil zijn lieve eega het liefst elk blaadje killen). Ik veerde dan ook verbaasd op toen ik – zeer dichtbij – een bekend, maar erg hard, geluid hoorde. Verdomd, komt ie nu ook al hier voor de deur de boel bijhouden? Nee, het was de overbuurman van een jaartje of (misschien net) dertig die lustig onder zijn carport aan het blazen was. Lijkt in geen velden of wegen op Piggelmee: jonge, snelle gast met flexbaan volgens mij. Maar wel zo’n debiele bladblazer. Net nieuw. Waarschijnlijk nog een goedkoopje ook, want het geval maakt een gigantische herrie. Zo’n carport heb je in drie minuten schoon. Maar ja, als je net zo’n nieuw apparaat hebt, wil je je wel even uitleven. Kwartiertje op de tanden bijten dus in mijn geval.
Kunnen de mensen die nadenken over het verbieden van mobiel bellen in de auto ook een verbod voor bladblazers in elkaar timmeren? Als jullie toch bezig zijn.
Geen probleem, toch? Neuh, totdat hij twee herfsten geleden de bladblazer ontdekte. In de zomer doet de bezem nog goede dienst, maar zodra het eerste randje rood aan het blad verschijnt, haalt Piggelmee de bladblazer tevoorschijn. Dan is het plots minder leuk. Het nare gezoem begint al ’s morgens en duurt gerust een uurtje of twee, drie. ’s Middags vallen er ook blaadjes, dus … inderdaad.
Als thuiskantoorhoudende zzp’er heb je omgevingsrust nodig. Nou ja, niet iedereen, maar ik wel. De veegwagens van de gemeente en de puttenzuigers kun je nog wel hebben (want dat gebeurt niet te vaak). Ook van de heli’s en vliegtuigen van de vliegbasis word ik niet onrustig. Maar zodra de knop van de bladblazer aangaat word ik pislink. Ik houd me in, maar ik zou Piggelmee wel aan het andere eind van zijn omgekeerde stofzuiger willen zien.
Vanmiddag was hij al een paar uurtjes rustig, de buur. Tweemaal daags is voor hem toch wel de limit (ook al wil zijn lieve eega het liefst elk blaadje killen). Ik veerde dan ook verbaasd op toen ik – zeer dichtbij – een bekend, maar erg hard, geluid hoorde. Verdomd, komt ie nu ook al hier voor de deur de boel bijhouden? Nee, het was de overbuurman van een jaartje of (misschien net) dertig die lustig onder zijn carport aan het blazen was. Lijkt in geen velden of wegen op Piggelmee: jonge, snelle gast met flexbaan volgens mij. Maar wel zo’n debiele bladblazer. Net nieuw. Waarschijnlijk nog een goedkoopje ook, want het geval maakt een gigantische herrie. Zo’n carport heb je in drie minuten schoon. Maar ja, als je net zo’n nieuw apparaat hebt, wil je je wel even uitleven. Kwartiertje op de tanden bijten dus in mijn geval.
Kunnen de mensen die nadenken over het verbieden van mobiel bellen in de auto ook een verbod voor bladblazers in elkaar timmeren? Als jullie toch bezig zijn.
maandag 4 oktober 2010
Bah!
In september waren wij op Sumatra. We maakten een rondreis langs vier Indonesische eilanden waarvan Sumatra het eerste was. Deze 28-daagse trip braken we op dag elf af omdat mijn vader overleed. Tien dagen daarna was het de beurt aan mijn schoonmoeder. Beiden waren al een eind in de tachtig, dus je weet dat het eraan komt. Maar dat is helaas geen troost.
We hebben dus niet alle vier de eilanden gehad, maar wel Sumatra en een stukje Java. Wat mij het meest opviel in deze elf dagen was het vuil. Het afval dat letterlijk overal neergepletterd was alsof de natuur het zelf wel zou opruimen. Niet alleen op straat in de steden (daar was het zeker het ergst), maar ook langs de route. Tijdens een trekking door de jungle wandelden we door een rivierbedding. Een klein stroompje was er nu maar; het heftige regenseizoen moest nog beginnen. De bedding lag bezaaid met troep. Schoenen en slippers, plastic flessen, gescheurde vuilniszakken, blikjes, afgekloven botjes van kip, koe of lam, takken en stukken hout, slierten onduidelijk spul en ander ongerief. Je weet precies wat er met deze verzameling gebeurt wanneer het regenseizoen het water in de rivier doet rijzen. Plasticeiland in de Atlantische Oceaan misschien?
Over de toilethygiëne onderweg ga ik het niet hebben. Use your imagination. Gelukkig was er ook veel moois te zien op Sumatra. Minder mooi zijn weer de palmolieplantages. De keurig in het gelid geplante bomen zijn op zich niet zo weerzinwekkend, ware het niet dat je weet dat er jungle voor gekapt is. Dan worden de uitgestrekte plantages ineens een stuk minder prettig om te zien. Orang Utans vinden gelukkig in de nationale parken nog een veilig plekje om een beetje rond te hangen en lui van boom naar boom te slingeren.
Top of the bill qua viezigheid was Jakarta. We zaten in het oude stadsdeel Kota, het vroegere Batavia. De reisgidsen beloofden een historische plek vol herinneringen aan de VOC-tijd (en -architectuur). Op die VOC-tijd hoef je overigens niet heel trots te zijn, meneer Balkenende. U verwees er graag naar tijdens uw premierschap, maar dat zou ik nooit meer doen als ik u was.
Enfin, Jakarta stonk. En niet heel weinig. Wij huisden met ons reisgezelschap in Hotel Batavia. Romantischer kan het haast niet klinken. Op het hotel zelf was weinig aan te merken. Oude chique met tapijten waarin je wegzakte en lobby’s waarin hele dorpen konden wonen (als ik bedenk wat wij onderweg aan schamele behuizing hebben gezien voor grote leefgemeenschappen). Het was de locatie. Voor de deur liep een gracht - naar Hollands voorbeeld aangelegd. Die was ondiep, had een wazig groenige kleur en er dreef van alles in. De stank was overweldigend. De ratten schoten letterlijk voor je voeten de ‘boulevard’ over, de goot in. Het water kolkte en borrelde op sommige plaatsen.
Na een bezoek aan het belangrijkste plein van Kota, waar inderdaad mooie gebouwen en musea te bezichtigen waren, wilden we wel een hapje eten in China Town. Dat lag een wijk verder, zuidwaarts. Dat konden we wel te voet. Rondkijken in Indonesië doe je niet al lopende, want dan stap je gegarandeerd in een gat, kuil of stinkende plas. Veilig is het dus om naar beneden te kijken en met een schuin oog naar het verkeer zodat je niet van de sokken gereden wordt. China Town was een teleurstelling. In het rijtje vies-viezer-viest had China Town de hoofdprijs. Normaal zou je nog het pittoreske laten prevaleren boven het gebrek aan hygiëne, maar dat kon hier niet. Weinig pittoresk, schokkend gebrek aan hygiëne. De stalletjes met etenswaren en groente stonden boven het open riool waar – alweer – de ratten ook overdag op hun gemakje rondscharrelden. Gelukkig, kan ik nu zeggen, vonden we geen restaurant en hebben we bij een buurtsupertje rollen koekjes en zoutjes gehaald. Het plastic gooiden we in een prullenbak (jawel) die naast de winkeldeur stond. Nu maar hopen dat die niet in de goot geleegd is.
We willen de reis ooit afmaken. Het vervolg beloofde nog veel moois. Jakarta laten we aan ons voorbij gaan. Dat is in mijn geval: twee keer maar nooit weer!
Zomaar een straat in Kota - Jakarta
We hebben dus niet alle vier de eilanden gehad, maar wel Sumatra en een stukje Java. Wat mij het meest opviel in deze elf dagen was het vuil. Het afval dat letterlijk overal neergepletterd was alsof de natuur het zelf wel zou opruimen. Niet alleen op straat in de steden (daar was het zeker het ergst), maar ook langs de route. Tijdens een trekking door de jungle wandelden we door een rivierbedding. Een klein stroompje was er nu maar; het heftige regenseizoen moest nog beginnen. De bedding lag bezaaid met troep. Schoenen en slippers, plastic flessen, gescheurde vuilniszakken, blikjes, afgekloven botjes van kip, koe of lam, takken en stukken hout, slierten onduidelijk spul en ander ongerief. Je weet precies wat er met deze verzameling gebeurt wanneer het regenseizoen het water in de rivier doet rijzen. Plasticeiland in de Atlantische Oceaan misschien?
Over de toilethygiëne onderweg ga ik het niet hebben. Use your imagination. Gelukkig was er ook veel moois te zien op Sumatra. Minder mooi zijn weer de palmolieplantages. De keurig in het gelid geplante bomen zijn op zich niet zo weerzinwekkend, ware het niet dat je weet dat er jungle voor gekapt is. Dan worden de uitgestrekte plantages ineens een stuk minder prettig om te zien. Orang Utans vinden gelukkig in de nationale parken nog een veilig plekje om een beetje rond te hangen en lui van boom naar boom te slingeren.
Top of the bill qua viezigheid was Jakarta. We zaten in het oude stadsdeel Kota, het vroegere Batavia. De reisgidsen beloofden een historische plek vol herinneringen aan de VOC-tijd (en -architectuur). Op die VOC-tijd hoef je overigens niet heel trots te zijn, meneer Balkenende. U verwees er graag naar tijdens uw premierschap, maar dat zou ik nooit meer doen als ik u was.
Enfin, Jakarta stonk. En niet heel weinig. Wij huisden met ons reisgezelschap in Hotel Batavia. Romantischer kan het haast niet klinken. Op het hotel zelf was weinig aan te merken. Oude chique met tapijten waarin je wegzakte en lobby’s waarin hele dorpen konden wonen (als ik bedenk wat wij onderweg aan schamele behuizing hebben gezien voor grote leefgemeenschappen). Het was de locatie. Voor de deur liep een gracht - naar Hollands voorbeeld aangelegd. Die was ondiep, had een wazig groenige kleur en er dreef van alles in. De stank was overweldigend. De ratten schoten letterlijk voor je voeten de ‘boulevard’ over, de goot in. Het water kolkte en borrelde op sommige plaatsen.
Na een bezoek aan het belangrijkste plein van Kota, waar inderdaad mooie gebouwen en musea te bezichtigen waren, wilden we wel een hapje eten in China Town. Dat lag een wijk verder, zuidwaarts. Dat konden we wel te voet. Rondkijken in Indonesië doe je niet al lopende, want dan stap je gegarandeerd in een gat, kuil of stinkende plas. Veilig is het dus om naar beneden te kijken en met een schuin oog naar het verkeer zodat je niet van de sokken gereden wordt. China Town was een teleurstelling. In het rijtje vies-viezer-viest had China Town de hoofdprijs. Normaal zou je nog het pittoreske laten prevaleren boven het gebrek aan hygiëne, maar dat kon hier niet. Weinig pittoresk, schokkend gebrek aan hygiëne. De stalletjes met etenswaren en groente stonden boven het open riool waar – alweer – de ratten ook overdag op hun gemakje rondscharrelden. Gelukkig, kan ik nu zeggen, vonden we geen restaurant en hebben we bij een buurtsupertje rollen koekjes en zoutjes gehaald. Het plastic gooiden we in een prullenbak (jawel) die naast de winkeldeur stond. Nu maar hopen dat die niet in de goot geleegd is.
We willen de reis ooit afmaken. Het vervolg beloofde nog veel moois. Jakarta laten we aan ons voorbij gaan. Dat is in mijn geval: twee keer maar nooit weer!
Zomaar een straat in Kota - Jakarta
donderdag 15 juli 2010
Tien
Er een blog op na houden heeft weinig zin als je niet af en toe wat schrijft. Ik weet het. Na een intermezzo van enkele weken waarin vakantie, zorg, geboortes en andere menselijkheden zich in vlot tempo aandienden en afspeelden binnen de familie, ben ik weer bij de les. Ik overtreed hier meteen een van de regels van goed schrijfwerk: geen metacommunicatie! Toch gedaan. Burgerlijk ongehoorzaam.
Zal ik wat over mijn opwinding rondom het oranjevertier vertellen of heeft u daar ook de buik van vol? Of over de schertsvertoning rondom de verkiezingen met bijbehorende formatietango’s die we voorbij zien komen? Nee, zucht, geen zin in. Het moet over een andere boeg. Ik ga persoonlijk worden. Ik ben te zwaar. Niet zomaar een kilootje, nee, wel tien. Dat is misschien peanuts voor iemand die veertig kilo boven zijn streefgewicht dobbert, maar vijf van die tien zijn wel heel snel op mijn buik neergestreken. Mijn huisarts vermoedt dat ik teveel eet in verhouding tot mijn fysieke inspanningen die momenteel inderdaad vrijwel non-existent zijn. Maar wat dat teveel eten betreft teken ik protest aan. Er heersen geen eetstoornissen in dit gezin en alles gaat zeer met mate. We kwamen aan het eind van het consult tot de afspraak dat minderen met zout en koolhydraten wat op kan leveren. Nu vind ik brood superlekker – vooral zelfgebakken in zo’n handig apparaat dat ook bij ons op het aanrecht huist – en van rijst of pasta ben ik ook niet vies. Een leven zonder soepje (immers vaak zout!) kan ik me niet goed voorstellen. Flauwe soep=slappe hap. Maar nee, echt dokterfranken zal het niet worden. Ik doe liever aan zelfdiëtisering – mag ik dat woord even introduceren? Minder, magerder of gezonder eten kan hier in huis bijna niet. We doen al aan: groenten en fruit, vis, vleesvervangers, halfvolle zuivel, volkorenspul allerlei, geen jus of boter maar olijfolie en nog een ritsje verantwoord voer. Vers staat hier hoog in het vaandel en de kant-en-klaar- of afhaalhappen zijn in dit huishouden jaarlijks op één hand te tellen. Nou vooruit, op twee handen; een van mij en een van P. Daar zit het probleem dus niet zou je denken. Dan maar schrappen. No more tatties, sandwiches, noodles, nice rice dishes and other filthy carbs. Huh, ik ga even een peertje eten. Wie heeft er nog geen broodmachine? Binnenkort te koop op dit adres.
Zal ik wat over mijn opwinding rondom het oranjevertier vertellen of heeft u daar ook de buik van vol? Of over de schertsvertoning rondom de verkiezingen met bijbehorende formatietango’s die we voorbij zien komen? Nee, zucht, geen zin in. Het moet over een andere boeg. Ik ga persoonlijk worden. Ik ben te zwaar. Niet zomaar een kilootje, nee, wel tien. Dat is misschien peanuts voor iemand die veertig kilo boven zijn streefgewicht dobbert, maar vijf van die tien zijn wel heel snel op mijn buik neergestreken. Mijn huisarts vermoedt dat ik teveel eet in verhouding tot mijn fysieke inspanningen die momenteel inderdaad vrijwel non-existent zijn. Maar wat dat teveel eten betreft teken ik protest aan. Er heersen geen eetstoornissen in dit gezin en alles gaat zeer met mate. We kwamen aan het eind van het consult tot de afspraak dat minderen met zout en koolhydraten wat op kan leveren. Nu vind ik brood superlekker – vooral zelfgebakken in zo’n handig apparaat dat ook bij ons op het aanrecht huist – en van rijst of pasta ben ik ook niet vies. Een leven zonder soepje (immers vaak zout!) kan ik me niet goed voorstellen. Flauwe soep=slappe hap. Maar nee, echt dokterfranken zal het niet worden. Ik doe liever aan zelfdiëtisering – mag ik dat woord even introduceren? Minder, magerder of gezonder eten kan hier in huis bijna niet. We doen al aan: groenten en fruit, vis, vleesvervangers, halfvolle zuivel, volkorenspul allerlei, geen jus of boter maar olijfolie en nog een ritsje verantwoord voer. Vers staat hier hoog in het vaandel en de kant-en-klaar- of afhaalhappen zijn in dit huishouden jaarlijks op één hand te tellen. Nou vooruit, op twee handen; een van mij en een van P. Daar zit het probleem dus niet zou je denken. Dan maar schrappen. No more tatties, sandwiches, noodles, nice rice dishes and other filthy carbs. Huh, ik ga even een peertje eten. Wie heeft er nog geen broodmachine? Binnenkort te koop op dit adres.
Abonneren op:
Posts (Atom)