Ik ben helaas uit mijn duikpak gegroeid. Dat betekent dus op zoek naar een nieuw pak en dat is dan weer leuk. Tijdens zo’n zoektocht op internet valt er heel wat te beleven en gelukkig ook te lachen. Of te huilen. Als ik me een tweede helaas mag permitteren: er zijn nog steeds internetondernemers die niet schromen Google Translate of een andere automatische vertaalfunctie te gebruiken. En dan gaat het goed mis.
Enfin, voor duikpakken ben ik een fan van het merk Mares – en dan met name de dameslijn. Dat noemen ze bij Mares She Dives. Een logische keuze. Voor de Flexa 8 millimeter resulteert dat al in de eerste regel in de fijne vertaling: ‘Merries Flexa 8.6.5 mm ze duiken’. Wat die paarden daar doen is me een raadsel en dat ze duiken geloof ik gewoon niet.
Nog wat mooie staaltjes kromspraak volgen na deze prachtige paardenintro. ‘(…) The Flexa past bij zijn het resultaat van een poging die bedoeld om te verkrijgen van de meest uiteenlopende combinatie van stoomboot, shorty en vest met slechts 5 items. (…)’ Ah, een stoomboot. Zijn we al in Sinterklaassferen of mis ik iets? Voor de niet-duiker: een steamer is gewoon een volledig duikpak met lange mouwen en idem pijpen. Een pak dus, dat je lekker warm houdt. Stomend warm bijna. :) Verder komen we in het artikel nog wat ‘dikte families’ tegen, ‘rits trekken met geïntegreerde fluitje’, ‘terug en voorzijde ritsen’ etc. etc. Ook de waterzakken fascineerden mij in: ‘Extra bescherming voor beter comfort wanneer duiken en ook minder lege ruimten voor verontrustende water zakken. ’Thuis noemden wij glazige piepers altijd waterzakken, maar ik neem aan dat er geen verontrustende aardappelen in de lege ruimten van het pak huizen. Gelukkig is onze kennis van het Engels nog voldoende om de ‘water pockets’ uit de oorspronkelijke tekst te herkennen. En dat zijn geen waterzakken en ook geen waterpokken!
Vooruit, ik doe er nog eentje omdat ie zo leuk is: ‘Terug en voorzijde ritsen met huid-op-huid rits zeehonden voor een superieure water barrière.’ Behalve duikende merries en stoomboten doen er ook zeehonden mee. Of zou je ‘seals’ misschien nog anders kunnen vertalen?? Verder weet deze website het zeker: ‘geen detail is over het hoofd gezien’ in de samenstelling van dit duikpak. Behalve bij de vertaling dan. Daar hebben we een paar details laten liggen.Voor wie geïnteresseerd is in de rest van de specificaties van dit sublieme duikpak: http://www.duikshoponline.nl/duikpakken/mares-flexa-865-mm-she-dives.html. Veel plezier ermee.
PS: elke suggestie dat ik door Mares gecompenseerd word voor deze reclame-uiting werp ik verre van mij :) If only ...
maandag 22 september 2014
vrijdag 11 juli 2014
La Douce
| Jarret de porc, hmmmm Foto: Hedwig Suurmeijer |
Onlangs waren we in Bretagne. Frankrijk is een fijn land.
Bijna alle streken zijn mooi of hebben wel
iets. De Fransen kunnen erg aardig zijn zoals wij merkten in Caen, waar wij –
geheel bewust van de plek waar wij ons bevonden – met een plattegrondje in de
hand vriendelijk werden aangesproken door een Caenaän/Caenees/Caenaer (?) die
vroeg of wij de weg kwijt waren. Waren we niet, maar toch heel sympa van hem. Menig Nederlander grapt graag ‘Rare jongens, die Fransen’.
Dat zal ik niet doen. Ik zal niet zeuren over ganzenlever of tripes. Moet je
als Hollander gewoon niet bestellen. Het eerste niet omdat het onfatsoenlijk is
als je dit anno nu nog durft, het tweede niet omdat wij dat doorgaans te goor
voor woorden vinden.
Na een lange, vermoeiende dag besloten wij in het gehucht van onze keuze bij de plaatselijk goed bekend staande campingbistro (er was maar één eetgelegenheid open) iets te eten. Veel mossels op de kaart, maar helaas blieven wij dat allebei niet. Da’s jammer, want het ziet er altijd zo gezellig uit. Enfin, een faux filet voor mijn partner en een jarret de porc pour moi. Navraag bij de kok overtuigde mij ervan dat ik een schouderkarbonaadje bestelde. Helaas was mijn Frans nèt niet goed genoeg om te voorkomen dat er een hele varkensschouder arriveerde. Met een stalen gezicht heb ik daar de magere stukjes vlees uit gepeuterd. Niet echt iets om nog een keer te doen.
Qua etenstijden moet je als toerist geen spatjes hebben.Tussen pakweg half drie en zeven uur is er nergens een fatsoenlijke hap te krijgen. Da’s economisch gezien niet heel slim van de Fransen. Na een boottocht langs de Sept Îles hadden zowat alle 200 passagiers trek in iets te eten. Maar meer dan een ijsje of een in de magnetron opgewarmde crêpe was er niet. Er werd zonder enige schaamte ‘nee’ verkocht. Dat moet daar zowat dagelijks gebeuren. Kan me voorstellen dat het rendabel wordt de kok maar niet naar huis te sturen tussen drie en zeven.
Na een lange, vermoeiende dag besloten wij in het gehucht van onze keuze bij de plaatselijk goed bekend staande campingbistro (er was maar één eetgelegenheid open) iets te eten. Veel mossels op de kaart, maar helaas blieven wij dat allebei niet. Da’s jammer, want het ziet er altijd zo gezellig uit. Enfin, een faux filet voor mijn partner en een jarret de porc pour moi. Navraag bij de kok overtuigde mij ervan dat ik een schouderkarbonaadje bestelde. Helaas was mijn Frans nèt niet goed genoeg om te voorkomen dat er een hele varkensschouder arriveerde. Met een stalen gezicht heb ik daar de magere stukjes vlees uit gepeuterd. Niet echt iets om nog een keer te doen.
Qua etenstijden moet je als toerist geen spatjes hebben.Tussen pakweg half drie en zeven uur is er nergens een fatsoenlijke hap te krijgen. Da’s economisch gezien niet heel slim van de Fransen. Na een boottocht langs de Sept Îles hadden zowat alle 200 passagiers trek in iets te eten. Maar meer dan een ijsje of een in de magnetron opgewarmde crêpe was er niet. Er werd zonder enige schaamte ‘nee’ verkocht. Dat moet daar zowat dagelijks gebeuren. Kan me voorstellen dat het rendabel wordt de kok maar niet naar huis te sturen tussen drie en zeven.
Het verkeer is een verhaal apart. Heb je geen voorrang, dan zeggen de Franse
verkeersborden dat zó: vous n’avez pas la
priorité, priorité à droite of cédez le passage. In alle andere
gevallen mag je het zelf uitzoeken. De regel lijkt dan: verkeer op de hoofdweg
heeft voorrang, maar dat is maar afhankelijk van welke Fransoos er de hoek om
komt. Als wandelaar kom je best aan je trekken. Het stikt er van
de randonnées die ze ook balades, sentiers, circuits of chemins noemen. Da’s voor het gemak van
de buitenlanders. Die wandelpaden zijn niet fijn bewegwijzerd. Het begint vaak
goed, maar ergens na een kilometer of wat verdwijnen de borden of paaltjes of
wijzen ze een kant op die niet kan kloppen. Soms is er een halverwege afgesloten
met de opmerking: Passage interdit,
danger de mort. Daar zou beter stik
de moord kunnen staan, want hoe je dan verder moet … inderdaad, dat mag je
zelf uitzoeken.
De. Taal. Is. Niet. Makkelijk. When in Rome etc. Dus moeten wij natuurlijk eigenlijk ons verrotte best doen om in ons allermooiste schoolfrans onze dingetjes te doen. Dat gaat best redelijk (met uitzondering van de varkensschouder). Maar toch. De hele wereld doet moeite om een gegidste tocht in minstens twee talen aan te bieden. Zo niet les Français. Als gids tweeënhalf uur volcontinu Frans ratelen op een zeer toeristisch boottripje vind ik wel zo’n beetje de grootste minachting van je gasten.
Maar … we houden nog steeds van Frankrijk.
De. Taal. Is. Niet. Makkelijk. When in Rome etc. Dus moeten wij natuurlijk eigenlijk ons verrotte best doen om in ons allermooiste schoolfrans onze dingetjes te doen. Dat gaat best redelijk (met uitzondering van de varkensschouder). Maar toch. De hele wereld doet moeite om een gegidste tocht in minstens twee talen aan te bieden. Zo niet les Français. Als gids tweeënhalf uur volcontinu Frans ratelen op een zeer toeristisch boottripje vind ik wel zo’n beetje de grootste minachting van je gasten.
Maar … we houden nog steeds van Frankrijk.
Labels:
Bretagne,
Frankrijk,
Fransen,
jarret de porc,
schoolfrans
maandag 9 juni 2014
Flutboeken
Na bijna vierhonderd van de achthonderd pagina’s mikte ik het doodsaaie The Goldfinch van Donna Tartt aan de kant. Niet om door te komen. Waarom mevrouw Tartt hiervoor de Pulitzer heeft gekregen is mij een raadsel. Ik lees Engelse boeken altijd in het Engels omdat ik anders afgeleid word door de vertaling. Daar kan het dus niet aan liggen.
Omdat ik zin had in een boek met wat meer vaart, pakte ik het vers gekochte Whiskey Beach van Nora Roberts uit de boekenkast. Een Sunday Times bestseller met lovende woorden van Stephen King en The Washington Post. Dat beloofde veel goeds. Mijn God, wat een draak. In een notendop: ooit trendy en stoere maar nu sneue, getergde en onterecht van moord verdachte crime lawyer vertrekt naar het oude familiehuis aan de kust om bij te komen van het afgelopen jaar. Daar ontmoet hij het mooie, alles kunnende vrouwtje dat hem op rolbevestigende wijze vertroetelt met zorg, eten en drinken en vooral veel begrip en aandacht. Mag ik even een teiltje graag? Deze onmogelijke vrouw verzorgt yogaklasjes, geeft massages, is driesterrenkok, werkt op vrijdagavond in het lokale café, poetst meerdere huizen in het dorp, maakt sieraden en zorgt voor alle mensen en dieren in haar omgeving die wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Daarbij is ze uiteraard prachtig mooi met groene ogen, lange krullen, een slank lijntje – en doet ze, hoe kan het anders, aan hardlopen op het strand. Het teiltje wordt te klein. Nora Roberts voorziet dit stel van een flinterdunne verhaallijn en laat de twee hoofdpersonen de boel vollullen met onwaarschijnlijke dialogen die in de Boeketreeks niet zouden misstaan. De seksscènes zijn om te huilen. Doe het dan niet, zou ik adviseren. Het hoeft niet per se wat mij betreft, seks in een thriller (nou ja!). Maar áls je het dan doet, dan wil ik me niet ergeren aan de brave Boeketsfeer. “Het licht stroomde als vloeibaar goud over haar ranke lichaam.” Of wat vinden we van: “Langzaam nu, langzaam, opstijgend als stoom, vallend als water, drijvend op dikke, natte wolken van plezier.” Bent u er nog? Ik heb het maar even vrij vertaald, maar er is echt niks mooiers van te maken.
Nu begrijp ik wel dat kritiek leveren een stuk makkelijker is dan zelf een mooi, spannend of anderszins geslaagd boek schrijven. Maar ik hoop dat er in de toekomst wat kritischer geoordeeld wordt voordat boeken a) uitgegeven worden en b) overstelpt worden met loftuitingen – al dan niet in de vorm van prijzen of recensies. Dat scheelt mij toch weer menig tientje en een boel ergernis.
Ik ga proberen The Goldfinch uit te lezen, maar wat Ms Tartt in achthonderd pagina’s doet, had wat mij betreft ook in driehonderd gemogen. Wie heeft er nog een goede leestip?
Omdat ik zin had in een boek met wat meer vaart, pakte ik het vers gekochte Whiskey Beach van Nora Roberts uit de boekenkast. Een Sunday Times bestseller met lovende woorden van Stephen King en The Washington Post. Dat beloofde veel goeds. Mijn God, wat een draak. In een notendop: ooit trendy en stoere maar nu sneue, getergde en onterecht van moord verdachte crime lawyer vertrekt naar het oude familiehuis aan de kust om bij te komen van het afgelopen jaar. Daar ontmoet hij het mooie, alles kunnende vrouwtje dat hem op rolbevestigende wijze vertroetelt met zorg, eten en drinken en vooral veel begrip en aandacht. Mag ik even een teiltje graag? Deze onmogelijke vrouw verzorgt yogaklasjes, geeft massages, is driesterrenkok, werkt op vrijdagavond in het lokale café, poetst meerdere huizen in het dorp, maakt sieraden en zorgt voor alle mensen en dieren in haar omgeving die wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Daarbij is ze uiteraard prachtig mooi met groene ogen, lange krullen, een slank lijntje – en doet ze, hoe kan het anders, aan hardlopen op het strand. Het teiltje wordt te klein. Nora Roberts voorziet dit stel van een flinterdunne verhaallijn en laat de twee hoofdpersonen de boel vollullen met onwaarschijnlijke dialogen die in de Boeketreeks niet zouden misstaan. De seksscènes zijn om te huilen. Doe het dan niet, zou ik adviseren. Het hoeft niet per se wat mij betreft, seks in een thriller (nou ja!). Maar áls je het dan doet, dan wil ik me niet ergeren aan de brave Boeketsfeer. “Het licht stroomde als vloeibaar goud over haar ranke lichaam.” Of wat vinden we van: “Langzaam nu, langzaam, opstijgend als stoom, vallend als water, drijvend op dikke, natte wolken van plezier.” Bent u er nog? Ik heb het maar even vrij vertaald, maar er is echt niks mooiers van te maken.
Nu begrijp ik wel dat kritiek leveren een stuk makkelijker is dan zelf een mooi, spannend of anderszins geslaagd boek schrijven. Maar ik hoop dat er in de toekomst wat kritischer geoordeeld wordt voordat boeken a) uitgegeven worden en b) overstelpt worden met loftuitingen – al dan niet in de vorm van prijzen of recensies. Dat scheelt mij toch weer menig tientje en een boel ergernis.
Ik ga proberen The Goldfinch uit te lezen, maar wat Ms Tartt in achthonderd pagina’s doet, had wat mij betreft ook in driehonderd gemogen. Wie heeft er nog een goede leestip?
Labels:
boeketreeks,
donna tartt,
nora roberts,
the goldfinch
dinsdag 4 februari 2014
Knikkers
Gisteravond ging bij mij het licht uit. Figuurlijk dan. Journalistiek Nederland is volgens mij van God los. Wanneer het achtuurjournaal de knikkers van Anne Frank nieuwswaardig vindt, nee erger nog, de knikkers van Anne Frank tot belangrijkste nieuwsitem verheft, dan geef ik het op. Ik heb niks tegen Anne Frank, want dat mag niet. Dan krijg je naast Leon de Winter de rest van de Anne Frank-fans op je dak. Maar ik heb ook niks mét Anne Frank. Voor mij is ze een Joods meisje dat treurig genoeg de oorlog niet heeft overleefd. Zo zijn er velen en dat vind ik erg. Maar juist omdat het er velen zijn, zal ik de verheffing van meisje Frank tot bijna-heilige nooit begrijpen. Ik heb me in het verleden al eens druk gemaakt over dat gedoe met die kastanjeboom achter het Anne Frank Huis. Begreep ik ook geen reet van, pardon my French. Hoe meer er ge-AnneFrankt wordt, hoe meer het mij tegen de borst stuit. Ik voel een niet te onderdrukken behoefte me ertegen te verzetten.
Ook nogal bont maakt de Volkskrant het vanochtend met een stukje over die rotknikkers. Daarin citeert de verslaggever ene Sabine Parmentier van de Kunsthal: ‘Denk aan een klein truitje dat een moeder tijdens de oorlog maakte van gespaard hondenhaar voor een kind dat het koud had (…). Maar inderdaad, de knikkers van Anne zijn het topstuk’, aldus Parmentier.
Ik neem aan dat na het lezen van deze van weinig intelligente uitspraak ook bij u het licht is uitgegaan. Mag ik hopen dat een truitje van zorgvuldig opgespaard en bewaard hondenhaar, gebreid door een moeder die haar kind wil behoeden voor de straffe winterkou u meer doet dan een doos knikkers? Dat het een beeld oproept van armoede, honger, kou, moederliefde, overlevingsdrang, alles-uit-de-kast-voor-mijn-kind, dat het een beetje knaagt vanbinnen, dat het misschien zorgt voor een brok in uw keel? Gelukkig! Weg met die knikkers.
Ook nogal bont maakt de Volkskrant het vanochtend met een stukje over die rotknikkers. Daarin citeert de verslaggever ene Sabine Parmentier van de Kunsthal: ‘Denk aan een klein truitje dat een moeder tijdens de oorlog maakte van gespaard hondenhaar voor een kind dat het koud had (…). Maar inderdaad, de knikkers van Anne zijn het topstuk’, aldus Parmentier.
Ik neem aan dat na het lezen van deze van weinig intelligente uitspraak ook bij u het licht is uitgegaan. Mag ik hopen dat een truitje van zorgvuldig opgespaard en bewaard hondenhaar, gebreid door een moeder die haar kind wil behoeden voor de straffe winterkou u meer doet dan een doos knikkers? Dat het een beeld oproept van armoede, honger, kou, moederliefde, overlevingsdrang, alles-uit-de-kast-voor-mijn-kind, dat het een beetje knaagt vanbinnen, dat het misschien zorgt voor een brok in uw keel? Gelukkig! Weg met die knikkers.
Labels:
anne frank,
journaal,
knikkers,
Kunsthal,
Volkskrant
vrijdag 24 januari 2014
Toekomst
![]() |
| Foto: Hedwig Suurmeijer |
Als kind van oude ouders kan je natuurlijk zo’n ‘mobiele’
woning in je achtertuin laten takelen à raison van 130.000 euro, maar dat is
dan weer niet voor iedereen weggelegd, omdat a) dat een hoop geld is voor de gemiddelde
burger en b) niet ieders achtertuintje daarop berekend is. Daar komt bij dat de
meeste kinderen van oude ouders zelf nog een flink aantal jaren
mogen/moeten/willen werken en dus geen gelegenheid hebben hun ouders 24/7 in de
gaten te houden. Er zal dus externe hulp ingekocht moeten worden (tegen die
tijd ook alleen weggelegd voor de beter gesitueerden die een deel van hun geld
al in die mobiele hut hebben gestoken). Resultaat van deze ondoordachte overheidsbesluiten is dat we
een bovenlaag krijgen die zich zorg, middelen en aandacht kan permitteren en een ‘onderlaag’
die zit te verpieteren in een slecht aangepaste woning of drie maanden dood in
huis ligt voordat de buren de vliegen op het raam opmerken.
Helaas is het zo dat overheidsbesluiten nou niet bepaald
genomen worden door mensen die weten waar ze het over hebben, getuige de
misstanden en onzinnige beslissingen die ofwel te veel geld kosten ofwel weer
teruggedraaid moeten worden. Onze politici zijn voornamelijk types met een flinke
profileringsdrang, de vaardigheid zich te presenteren en een fijn netwerk. Het
zijn de lui die altijd weer boven komen drijven op basis van die drie
kenmerken. Over inhoud, kennis en empathie zegt dat helaas niks.
Wie denkt dat het allemaal wel los loopt, mag dit stukje over
vijf à tien jaar nog een keer nalezen. Ik wens u een gezegende toekomst en een potje pillen
voor als het genoeg geweest is.
donderdag 4 juli 2013
Sunday Roast
(een kort verhaal)
‘Kijk, daar ligt het, recht vooruit.’ Inderdaad. In de bocht zo’n driehonderd meter verderop ligt het huis dat ze gisteravond op internet vond. Een Bed and Breakfast met zeemansuitstraling, opgetrokken uit witblauwige rabatdelen. The Mermaid Inn, een pub annex B&B in een dorpje vlak bij Harwich. Handig als ze overmorgen op de boot naar Hoek van Holland gaan.
‘Parkeer maar voor de deur. Er staat nóg een auto op de stoep. Kennelijk geen probleem,’zegt Paul. Het ziet er stil en verlaten uit. Hella parkeert naast het bord Sunday Roast, every Sunday - all day. Gelukkig, er kan dus ook gegeten worden.
Als ze uitstappen komt er een oude zwarte Mercedes de parkeerstoep oprijden. Er stapt een middelbare vrouw uit met een donker knotje, zwarte kleren en donkere bril. Type ‘oude hippie’.
‘Bent u de eigenaar?’ vraagt Hella.
‘Ja, inderdaad.’
‘Wij zoeken een kamer voor twee nachten en we vonden deze B&B gisteren op internet. Heeft u kamers vrij?’
‘Jazeker, kom maar binnen.’
De vrouw gaat hun voor. Het is aardedonker in de pub; die gaat pas om vijf uur ’s middags open. Paul en Hella volgen de vrouw naar boven. Beide tweepersoonskamers zijn beschikbaar, dus ze kunnen kiezen.
‘Nou, deze dan maar. Hier valt het meeste licht binnen en hebben we uitzicht naar twee kanten.’
Dat is snel geregeld.
‘Wilt u onze gegevens noteren of heeft u misschien graag dat we vooraf betalen?’ vraagt Hella, die de afgelopen tien dagen al verschillende varianten van vooraf betalen en inschrijven heeft meegemaakt.
Nee, dat is nergens voor nodig. ‘You’re not going anywhere, are you?’ vraagt de dame.
‘No, not before early Thursday morning,’ zegt Paul.
Nadat ze hun spullen uit de auto hebben gehaald, kijken ze nog een keer goed rond in de kamer. Het is een beetje Spartaans ingericht. Je waant je in een schip met veel houtwerk. Houten bed, houten betimmering tot halverwege de muren, houten binnendeuren en een eenvoudige houten eetkamertafel met twee rechte keukenstoelen. Coffee and tea making facilities, zoals gebruikelijk. Alles ziet er prima verzorgd uit. In de grote inloopkast staan wat privéspullen. Er zit ook een zolderluik in. Naast hun kamer is een dichte deur met ‘private’ erop. Die grenst aan de inloopkast.
Er zijn verder geen gasten. Van de drie beschikbare kamers is er nu dus één bezet. Hella vindt dat een beetje vreemd, omdat het deze vakantie overal nogal moeilijk is om een kamer te vinden. Maar goed, het zal wel. Tijd om de omgeving te verkennen.
Het is druk in de pub. De klanten zijn uitgelaten en kijken met onverholen belangstelling naar die rare Hollandse toeristen met hun kleine glaasjes bier. Als Paul wil afrekenen blijken de glaasjes Guinness een welcome drink van het huis.
‘I bet you’re sorry now that you didn’t order a pint,’ grijnst Steve, de barman. Nou, nee. Niet echt. Hella vraagt of ze ook wat kunnen eten. Nee helaas, Steve - tevens echtgenoot van Sue, de dame in het zwart - moet hen teleurstellen.
‘We koken alleen op zondagen, maar als je iets gaat halen dan wil ik de tafel wel dekken in de eetzaal.’ Paul en Hella bedanken voor de suggestie en besluiten vanavond dan maar bij de Thorn te eten. Een restaurant een kilometer verderop. Dat wandelingetje kan er ook nog wel bij. Overal in het dorp ruiken ze de moutfabriek. Er hangt een lauwe, wat weeïge lucht. Ongewoon maar niet onprettig.
Na het eten liggen ze vroeg in bed, zoals meestal tijdens deze vermoeiende wandelvakantie. Nog een beetje lezen en dan zullen ze zo wel in slaap vallen. Maar Hella voelt zich plotseling niet zo lekker. ‘Jezus, ik word me ineens een partij duizelig,’ zegt ze.
‘Hoe kan dat nou?’ vraagt Paul, ‘heb je iets verkeerds gegeten?’
‘Kan ik me haast niet voorstellen. Ik heb niks raars op. Zou het die moutlucht zijn die hier overal hangt? Of misschien zat er wat in de Guinness, haha. Nou ik blijf maar liggen, dan zakt het misschien. Zal morgen toch wel over zijn, hoop ik.’
Paul slaapt vrij snel, maar bij Hella wil het niet lukken. Ze voelt zich ook niet zo happy in het gebouw. Geen andere gasten en het lijkt er op dat de baas en bazin van het spul hier niet wonen. En wat doen al die rare dingen aan het plafond? Een rookmelder die rode bliepjes geeft, een uitsteeksel dat iets wegheeft van een sprinklerkop en nog een brandweerrode alarmmelder. Raar, overkill. En dan die wandpanelen met die gaatjes en gleuven erin. Nog nooit eerder gezien. Toch maar even een raam openzetten. Hella blijft malen, zoals ze wel vaker doet als ze niet kan slapen. Die barman met z’n manke been was toch een rare snuiter. En Sue hoefde onze gegevens niet. En waarom ben ik ineens zo duizelig, vraagt ze zich af. Niemand weet dat we hier zijn. Straks komt er iemand vanuit de ‘private’ kamer via het zolderluik onze kamer binnen. Het liefst zou ze een stoel onder de deurklink schuiven. Zo maalt het door haar hoofd tot ze uiteindelijk tegen half vier in slaap valt.
En ’s morgens weer gewoon wakker wordt. Ze schaamt zich een beetje voor haar gepieker en besluit niets tegen Paul te zeggen over de scenario’s die haar vannacht wakker hielden.
Na een gezellig dagje in Colchester, waar het kasteel wegens renovatie gesloten is, maar de tuinen open, is de vakantie dan toch echt voorbij. Nog een keer lekker eten in de Thorn en koffers pakken. Ook Hella valt deze keer als een blok in slaap.
‘It’s Dutch prime pork, Joe. As you know, only the best for our guests. I’m expecting a new order on Wednesday. So you’re all invited to join us again next Sunday.’
Instemmende geluiden van de gasten.
‘Nice guys, that couple you had here earlier this week,’ zegt Skipper.
‘Oh yes,’ zegt Sue, ‘very nice couple. Didn’t see them leave, though.’
‘Do you smell that, Tim?’
‘Yes, I smell it too. Look over there, it’s a car. Let’s have a look.’
De jongens lopen naar de plek waar een uitgebrande auto tussen de struiken staat.
‘Hmm, strange,’ zegt Tim. ‘It has the steering wheel on the wrong side. Better call the police.’
‘Kijk, daar ligt het, recht vooruit.’ Inderdaad. In de bocht zo’n driehonderd meter verderop ligt het huis dat ze gisteravond op internet vond. Een Bed and Breakfast met zeemansuitstraling, opgetrokken uit witblauwige rabatdelen. The Mermaid Inn, een pub annex B&B in een dorpje vlak bij Harwich. Handig als ze overmorgen op de boot naar Hoek van Holland gaan.
‘Parkeer maar voor de deur. Er staat nóg een auto op de stoep. Kennelijk geen probleem,’zegt Paul. Het ziet er stil en verlaten uit. Hella parkeert naast het bord Sunday Roast, every Sunday - all day. Gelukkig, er kan dus ook gegeten worden.
Als ze uitstappen komt er een oude zwarte Mercedes de parkeerstoep oprijden. Er stapt een middelbare vrouw uit met een donker knotje, zwarte kleren en donkere bril. Type ‘oude hippie’.
‘Bent u de eigenaar?’ vraagt Hella.
‘Ja, inderdaad.’
‘Wij zoeken een kamer voor twee nachten en we vonden deze B&B gisteren op internet. Heeft u kamers vrij?’
‘Jazeker, kom maar binnen.’
De vrouw gaat hun voor. Het is aardedonker in de pub; die gaat pas om vijf uur ’s middags open. Paul en Hella volgen de vrouw naar boven. Beide tweepersoonskamers zijn beschikbaar, dus ze kunnen kiezen.
‘Nou, deze dan maar. Hier valt het meeste licht binnen en hebben we uitzicht naar twee kanten.’
Dat is snel geregeld.
‘Wilt u onze gegevens noteren of heeft u misschien graag dat we vooraf betalen?’ vraagt Hella, die de afgelopen tien dagen al verschillende varianten van vooraf betalen en inschrijven heeft meegemaakt.
Nee, dat is nergens voor nodig. ‘You’re not going anywhere, are you?’ vraagt de dame.
‘No, not before early Thursday morning,’ zegt Paul.
Nadat ze hun spullen uit de auto hebben gehaald, kijken ze nog een keer goed rond in de kamer. Het is een beetje Spartaans ingericht. Je waant je in een schip met veel houtwerk. Houten bed, houten betimmering tot halverwege de muren, houten binnendeuren en een eenvoudige houten eetkamertafel met twee rechte keukenstoelen. Coffee and tea making facilities, zoals gebruikelijk. Alles ziet er prima verzorgd uit. In de grote inloopkast staan wat privéspullen. Er zit ook een zolderluik in. Naast hun kamer is een dichte deur met ‘private’ erop. Die grenst aan de inloopkast.
Er zijn verder geen gasten. Van de drie beschikbare kamers is er nu dus één bezet. Hella vindt dat een beetje vreemd, omdat het deze vakantie overal nogal moeilijk is om een kamer te vinden. Maar goed, het zal wel. Tijd om de omgeving te verkennen.
Na een wandeling die langer uitvalt dan de bedoeling is, komen Paul en Hella terug in de pub. ‘Zullen we een Guinness nemen?’ stelt Paul voor. ‘Het is ook zo raar om door de pub naar binnen te gaan en dan meteen door te lopen naar boven.’
‘Oké, maar voor mij een halve, anders word ik dronken.’ Paul bestelt twee half pints, wat ze in Engeland maar mietenglaasjes vinden, maar who cares? Het is druk in de pub. De klanten zijn uitgelaten en kijken met onverholen belangstelling naar die rare Hollandse toeristen met hun kleine glaasjes bier. Als Paul wil afrekenen blijken de glaasjes Guinness een welcome drink van het huis.
‘I bet you’re sorry now that you didn’t order a pint,’ grijnst Steve, de barman. Nou, nee. Niet echt. Hella vraagt of ze ook wat kunnen eten. Nee helaas, Steve - tevens echtgenoot van Sue, de dame in het zwart - moet hen teleurstellen.
‘We koken alleen op zondagen, maar als je iets gaat halen dan wil ik de tafel wel dekken in de eetzaal.’ Paul en Hella bedanken voor de suggestie en besluiten vanavond dan maar bij de Thorn te eten. Een restaurant een kilometer verderop. Dat wandelingetje kan er ook nog wel bij. Overal in het dorp ruiken ze de moutfabriek. Er hangt een lauwe, wat weeïge lucht. Ongewoon maar niet onprettig.
Na het eten liggen ze vroeg in bed, zoals meestal tijdens deze vermoeiende wandelvakantie. Nog een beetje lezen en dan zullen ze zo wel in slaap vallen. Maar Hella voelt zich plotseling niet zo lekker. ‘Jezus, ik word me ineens een partij duizelig,’ zegt ze.
‘Hoe kan dat nou?’ vraagt Paul, ‘heb je iets verkeerds gegeten?’
‘Kan ik me haast niet voorstellen. Ik heb niks raars op. Zou het die moutlucht zijn die hier overal hangt? Of misschien zat er wat in de Guinness, haha. Nou ik blijf maar liggen, dan zakt het misschien. Zal morgen toch wel over zijn, hoop ik.’
Paul slaapt vrij snel, maar bij Hella wil het niet lukken. Ze voelt zich ook niet zo happy in het gebouw. Geen andere gasten en het lijkt er op dat de baas en bazin van het spul hier niet wonen. En wat doen al die rare dingen aan het plafond? Een rookmelder die rode bliepjes geeft, een uitsteeksel dat iets wegheeft van een sprinklerkop en nog een brandweerrode alarmmelder. Raar, overkill. En dan die wandpanelen met die gaatjes en gleuven erin. Nog nooit eerder gezien. Toch maar even een raam openzetten. Hella blijft malen, zoals ze wel vaker doet als ze niet kan slapen. Die barman met z’n manke been was toch een rare snuiter. En Sue hoefde onze gegevens niet. En waarom ben ik ineens zo duizelig, vraagt ze zich af. Niemand weet dat we hier zijn. Straks komt er iemand vanuit de ‘private’ kamer via het zolderluik onze kamer binnen. Het liefst zou ze een stoel onder de deurklink schuiven. Zo maalt het door haar hoofd tot ze uiteindelijk tegen half vier in slaap valt.
En ’s morgens weer gewoon wakker wordt. Ze schaamt zich een beetje voor haar gepieker en besluit niets tegen Paul te zeggen over de scenario’s die haar vannacht wakker hielden.
Vandaag willen ze even naar de markt in het dorp om de hoek en daarna nog naar het historische Colchester. Vanavond inpakken en morgen naar huis. Prima hoor. De vakantie was leuk, maar ook lang genoeg.
Bij het ontbijt vraagt Sue hoe laat Hella en Paul de volgende dag vertrekken.
‘Ik wil om kwart voor zeven gaan rijden, want ze beginnen om zeven uur met boarden,’ zegt Hella. ‘We hoeven geen ontbijt, maar misschien wilt u vanavond een ontbijtpakketje klaarleggen? Dat eten we dan onderweg wel op. Dan hoeft u niet zo vroeg op.’ Sue vindt dat opstaan niet zo’n probleem en stelt voor dat Hella en Paul ietsje vroeger beneden komen, dan zet ze nog koffie voor hen. Dat is dan afgesproken. Na een gezellig dagje in Colchester, waar het kasteel wegens renovatie gesloten is, maar de tuinen open, is de vakantie dan toch echt voorbij. Nog een keer lekker eten in de Thorn en koffers pakken. Ook Hella valt deze keer als een blok in slaap.
Zondag
‘Sue, can I have some more of that roast? It’s great. Where did you get it?’‘It’s Dutch prime pork, Joe. As you know, only the best for our guests. I’m expecting a new order on Wednesday. So you’re all invited to join us again next Sunday.’
Instemmende geluiden van de gasten.
‘Nice guys, that couple you had here earlier this week,’ zegt Skipper.
‘Oh yes,’ zegt Sue, ‘very nice couple. Didn’t see them leave, though.’
Maandagochtend
Twee jongens van een jaar of elf wandelen met hun hengelspullen over het smalle bospad naar de beek om te gaan vissen.‘Do you smell that, Tim?’
‘Yes, I smell it too. Look over there, it’s a car. Let’s have a look.’
De jongens lopen naar de plek waar een uitgebrande auto tussen de struiken staat.
‘Hmm, strange,’ zegt Tim. ‘It has the steering wheel on the wrong side. Better call the police.’
Op datzelfde moment draagt Steve een nieuwe gasfles naar de eerste verdieping en draait de deur met ‘private’ erop van het slot.
Labels:
harwich,
mermaid inn,
short story,
sunday roast
dinsdag 18 september 2012
Assertief
In augustus vliegen wij met Ryanair naar Kreta. Door een onduidelijkheid over welk vliegtuig men aan het ‘bevolken’ is, staan wij een kwartier te vroeg vooraan in de rij bij priority boarding. Als je niet ellebogenwerkend naar binnen wil, kun je bij deze maatschappij extra betalen om voorrang te krijgen. Het gewone volk moet maar zien waar het een stoel bemachtigt.
Na een minuutje of tien is de rij al aardig aangegroeid en hinkt er een meneer met een wandelstok op ons af. Aan zijn accent te horen onmiskenbaar een Duitser, die afgezien van dat accent de Engelse taal goed beheerst. Of hij vooraan in de rij mag, want hij is slecht ter been. Ongelukje met de motor. Vervelend. Lang staan is niet leuk voor hem. Omdat wij de beroerdste(n) niet zijn, mag hij vóór ons in de rij. Daar begint hij te gebaren en mimen naar zijn vrouw. Tegen ons: “Aahh, my wife is standing at the back. She’s too shy to come to the front of the line.” Maar, haar assertieve echtgenoot niet tegensprekend, komt zij schuchter naast hem staan. Er ontstaat een gesprekje waaruit voornamelijk naar voren komt dat meneer erg met zichzelf ingenomen is.
Na een minuutje of tien is de rij al aardig aangegroeid en hinkt er een meneer met een wandelstok op ons af. Aan zijn accent te horen onmiskenbaar een Duitser, die afgezien van dat accent de Engelse taal goed beheerst. Of hij vooraan in de rij mag, want hij is slecht ter been. Ongelukje met de motor. Vervelend. Lang staan is niet leuk voor hem. Omdat wij de beroerdste(n) niet zijn, mag hij vóór ons in de rij. Daar begint hij te gebaren en mimen naar zijn vrouw. Tegen ons: “Aahh, my wife is standing at the back. She’s too shy to come to the front of the line.” Maar, haar assertieve echtgenoot niet tegensprekend, komt zij schuchter naast hem staan. Er ontstaat een gesprekje waaruit voornamelijk naar voren komt dat meneer erg met zichzelf ingenomen is.
Op de terugreis zien we hem weer. Nog steeds met stok en moeilijk ter been. De vertrekhal loopt al aardig vol. Bij het boarden weet meneer zich weer naar de kop van de rij te praten. Helaas heeft hij niet in de gaten dat ‘als eerste in de bus’ ook betekent ‘als laatste eruit’ en zo strompelt hij achteraan in de rij de vliegtuigtrap op. Enig leedvermaak is ons hier niet vreemd.
Meneer zit in het vliegtuig vóór ons, op een stoel met extra beenruimte bij de nooduitgang. Helaas, dat vindt de purser niet goed. Jonge kinderen en mensen die slecht ter been zijn, mogen niet in de rij bij de nooduitgang zitten. Veiligheidsvoorschrift. Logisch, vinden wij. Nadat de purser dat allemaal vriendelijk doch dringend heeft uitgelegd ontstaat er een vervelend gesprek waarbij de Duitser zich niet laat ompraten naar een andere stoel. Hij is prima ter been, hij kan uitstekend lopen (kwam zwaar hinkend binnen) en zijn wandelstok heeft hij helemaal niet nodig. De purser haalt de captain erbij. Hij heeft geen zin in ruzie in de tent. De captain legt het beschaafd in zijn beste Engels nog een keer uit. De Duitser is onverbiddelijk. Ter illustratie van zijn fysieke fitheid tilt hij zijn knieën op en stampt hij een paar keer met zijn voeten op de vliegtuigvloer. “I can walk perfectly well, as you can see.” Wij vermaken ons opperbest bij dit toneelstukje.
Slot van het liedje is dat de captain het ook opgeeft en dat meneer blijft zitten waar hij zit. Als we landen en het vliegtuig uitschuifelen, blijkt dat het echtpaar drie opgeschoten tienerzoons bij zich heeft die zich al die tijd elders opgehouden hebben. Willen vast niet graag met hun papa gezien worden. De moraal van dit verhaal: ‘All passengers are equal, but some Germans are more equal than others’.
Abonneren op:
Posts (Atom)

