Gisteravond ging bij mij het licht uit. Figuurlijk dan. Journalistiek Nederland is volgens mij van God los. Wanneer het achtuurjournaal de knikkers van Anne Frank nieuwswaardig vindt, nee erger nog, de knikkers van Anne Frank tot belangrijkste nieuwsitem verheft, dan geef ik het op. Ik heb niks tegen Anne Frank, want dat mag niet. Dan krijg je naast Leon de Winter de rest van de Anne Frank-fans op je dak. Maar ik heb ook niks mét Anne Frank. Voor mij is ze een Joods meisje dat treurig genoeg de oorlog niet heeft overleefd. Zo zijn er velen en dat vind ik erg. Maar juist omdat het er velen zijn, zal ik de verheffing van meisje Frank tot bijna-heilige nooit begrijpen. Ik heb me in het verleden al eens druk gemaakt over dat gedoe met die kastanjeboom achter het Anne Frank Huis. Begreep ik ook geen reet van, pardon my French. Hoe meer er ge-AnneFrankt wordt, hoe meer het mij tegen de borst stuit. Ik voel een niet te onderdrukken behoefte me ertegen te verzetten.
Ook nogal bont maakt de Volkskrant het vanochtend met een stukje over die rotknikkers. Daarin citeert de verslaggever ene Sabine Parmentier van de Kunsthal: ‘Denk aan een klein truitje dat een moeder tijdens de oorlog maakte van gespaard hondenhaar voor een kind dat het koud had (…). Maar inderdaad, de knikkers van Anne zijn het topstuk’, aldus Parmentier.
Ik neem aan dat na het lezen van deze van weinig intelligente uitspraak ook bij u het licht is uitgegaan. Mag ik hopen dat een truitje van zorgvuldig opgespaard en bewaard hondenhaar, gebreid door een moeder die haar kind wil behoeden voor de straffe winterkou u meer doet dan een doos knikkers? Dat het een beeld oproept van armoede, honger, kou, moederliefde, overlevingsdrang, alles-uit-de-kast-voor-mijn-kind, dat het een beetje knaagt vanbinnen, dat het misschien zorgt voor een brok in uw keel? Gelukkig! Weg met die knikkers.
dinsdag 4 februari 2014
vrijdag 24 januari 2014
Toekomst
![]() |
| Foto: Hedwig Suurmeijer |
Als kind van oude ouders kan je natuurlijk zo’n ‘mobiele’
woning in je achtertuin laten takelen à raison van 130.000 euro, maar dat is
dan weer niet voor iedereen weggelegd, omdat a) dat een hoop geld is voor de gemiddelde
burger en b) niet ieders achtertuintje daarop berekend is. Daar komt bij dat de
meeste kinderen van oude ouders zelf nog een flink aantal jaren
mogen/moeten/willen werken en dus geen gelegenheid hebben hun ouders 24/7 in de
gaten te houden. Er zal dus externe hulp ingekocht moeten worden (tegen die
tijd ook alleen weggelegd voor de beter gesitueerden die een deel van hun geld
al in die mobiele hut hebben gestoken). Resultaat van deze ondoordachte overheidsbesluiten is dat we
een bovenlaag krijgen die zich zorg, middelen en aandacht kan permitteren en een ‘onderlaag’
die zit te verpieteren in een slecht aangepaste woning of drie maanden dood in
huis ligt voordat de buren de vliegen op het raam opmerken.
Helaas is het zo dat overheidsbesluiten nou niet bepaald
genomen worden door mensen die weten waar ze het over hebben, getuige de
misstanden en onzinnige beslissingen die ofwel te veel geld kosten ofwel weer
teruggedraaid moeten worden. Onze politici zijn voornamelijk types met een flinke
profileringsdrang, de vaardigheid zich te presenteren en een fijn netwerk. Het
zijn de lui die altijd weer boven komen drijven op basis van die drie
kenmerken. Over inhoud, kennis en empathie zegt dat helaas niks.
Wie denkt dat het allemaal wel los loopt, mag dit stukje over
vijf à tien jaar nog een keer nalezen. Ik wens u een gezegende toekomst en een potje pillen
voor als het genoeg geweest is.
donderdag 4 juli 2013
Sunday Roast
(een kort verhaal)
‘Kijk, daar ligt het, recht vooruit.’ Inderdaad. In de bocht zo’n driehonderd meter verderop ligt het huis dat ze gisteravond op internet vond. Een Bed and Breakfast met zeemansuitstraling, opgetrokken uit witblauwige rabatdelen. The Mermaid Inn, een pub annex B&B in een dorpje vlak bij Harwich. Handig als ze overmorgen op de boot naar Hoek van Holland gaan.
‘Parkeer maar voor de deur. Er staat nóg een auto op de stoep. Kennelijk geen probleem,’zegt Paul. Het ziet er stil en verlaten uit. Hella parkeert naast het bord Sunday Roast, every Sunday - all day. Gelukkig, er kan dus ook gegeten worden.
Als ze uitstappen komt er een oude zwarte Mercedes de parkeerstoep oprijden. Er stapt een middelbare vrouw uit met een donker knotje, zwarte kleren en donkere bril. Type ‘oude hippie’.
‘Bent u de eigenaar?’ vraagt Hella.
‘Ja, inderdaad.’
‘Wij zoeken een kamer voor twee nachten en we vonden deze B&B gisteren op internet. Heeft u kamers vrij?’
‘Jazeker, kom maar binnen.’
De vrouw gaat hun voor. Het is aardedonker in de pub; die gaat pas om vijf uur ’s middags open. Paul en Hella volgen de vrouw naar boven. Beide tweepersoonskamers zijn beschikbaar, dus ze kunnen kiezen.
‘Nou, deze dan maar. Hier valt het meeste licht binnen en hebben we uitzicht naar twee kanten.’
Dat is snel geregeld.
‘Wilt u onze gegevens noteren of heeft u misschien graag dat we vooraf betalen?’ vraagt Hella, die de afgelopen tien dagen al verschillende varianten van vooraf betalen en inschrijven heeft meegemaakt.
Nee, dat is nergens voor nodig. ‘You’re not going anywhere, are you?’ vraagt de dame.
‘No, not before early Thursday morning,’ zegt Paul.
Nadat ze hun spullen uit de auto hebben gehaald, kijken ze nog een keer goed rond in de kamer. Het is een beetje Spartaans ingericht. Je waant je in een schip met veel houtwerk. Houten bed, houten betimmering tot halverwege de muren, houten binnendeuren en een eenvoudige houten eetkamertafel met twee rechte keukenstoelen. Coffee and tea making facilities, zoals gebruikelijk. Alles ziet er prima verzorgd uit. In de grote inloopkast staan wat privéspullen. Er zit ook een zolderluik in. Naast hun kamer is een dichte deur met ‘private’ erop. Die grenst aan de inloopkast.
Er zijn verder geen gasten. Van de drie beschikbare kamers is er nu dus één bezet. Hella vindt dat een beetje vreemd, omdat het deze vakantie overal nogal moeilijk is om een kamer te vinden. Maar goed, het zal wel. Tijd om de omgeving te verkennen.
Het is druk in de pub. De klanten zijn uitgelaten en kijken met onverholen belangstelling naar die rare Hollandse toeristen met hun kleine glaasjes bier. Als Paul wil afrekenen blijken de glaasjes Guinness een welcome drink van het huis.
‘I bet you’re sorry now that you didn’t order a pint,’ grijnst Steve, de barman. Nou, nee. Niet echt. Hella vraagt of ze ook wat kunnen eten. Nee helaas, Steve - tevens echtgenoot van Sue, de dame in het zwart - moet hen teleurstellen.
‘We koken alleen op zondagen, maar als je iets gaat halen dan wil ik de tafel wel dekken in de eetzaal.’ Paul en Hella bedanken voor de suggestie en besluiten vanavond dan maar bij de Thorn te eten. Een restaurant een kilometer verderop. Dat wandelingetje kan er ook nog wel bij. Overal in het dorp ruiken ze de moutfabriek. Er hangt een lauwe, wat weeïge lucht. Ongewoon maar niet onprettig.
Na het eten liggen ze vroeg in bed, zoals meestal tijdens deze vermoeiende wandelvakantie. Nog een beetje lezen en dan zullen ze zo wel in slaap vallen. Maar Hella voelt zich plotseling niet zo lekker. ‘Jezus, ik word me ineens een partij duizelig,’ zegt ze.
‘Hoe kan dat nou?’ vraagt Paul, ‘heb je iets verkeerds gegeten?’
‘Kan ik me haast niet voorstellen. Ik heb niks raars op. Zou het die moutlucht zijn die hier overal hangt? Of misschien zat er wat in de Guinness, haha. Nou ik blijf maar liggen, dan zakt het misschien. Zal morgen toch wel over zijn, hoop ik.’
Paul slaapt vrij snel, maar bij Hella wil het niet lukken. Ze voelt zich ook niet zo happy in het gebouw. Geen andere gasten en het lijkt er op dat de baas en bazin van het spul hier niet wonen. En wat doen al die rare dingen aan het plafond? Een rookmelder die rode bliepjes geeft, een uitsteeksel dat iets wegheeft van een sprinklerkop en nog een brandweerrode alarmmelder. Raar, overkill. En dan die wandpanelen met die gaatjes en gleuven erin. Nog nooit eerder gezien. Toch maar even een raam openzetten. Hella blijft malen, zoals ze wel vaker doet als ze niet kan slapen. Die barman met z’n manke been was toch een rare snuiter. En Sue hoefde onze gegevens niet. En waarom ben ik ineens zo duizelig, vraagt ze zich af. Niemand weet dat we hier zijn. Straks komt er iemand vanuit de ‘private’ kamer via het zolderluik onze kamer binnen. Het liefst zou ze een stoel onder de deurklink schuiven. Zo maalt het door haar hoofd tot ze uiteindelijk tegen half vier in slaap valt.
En ’s morgens weer gewoon wakker wordt. Ze schaamt zich een beetje voor haar gepieker en besluit niets tegen Paul te zeggen over de scenario’s die haar vannacht wakker hielden.
Na een gezellig dagje in Colchester, waar het kasteel wegens renovatie gesloten is, maar de tuinen open, is de vakantie dan toch echt voorbij. Nog een keer lekker eten in de Thorn en koffers pakken. Ook Hella valt deze keer als een blok in slaap.
‘It’s Dutch prime pork, Joe. As you know, only the best for our guests. I’m expecting a new order on Wednesday. So you’re all invited to join us again next Sunday.’
Instemmende geluiden van de gasten.
‘Nice guys, that couple you had here earlier this week,’ zegt Skipper.
‘Oh yes,’ zegt Sue, ‘very nice couple. Didn’t see them leave, though.’
‘Do you smell that, Tim?’
‘Yes, I smell it too. Look over there, it’s a car. Let’s have a look.’
De jongens lopen naar de plek waar een uitgebrande auto tussen de struiken staat.
‘Hmm, strange,’ zegt Tim. ‘It has the steering wheel on the wrong side. Better call the police.’
‘Kijk, daar ligt het, recht vooruit.’ Inderdaad. In de bocht zo’n driehonderd meter verderop ligt het huis dat ze gisteravond op internet vond. Een Bed and Breakfast met zeemansuitstraling, opgetrokken uit witblauwige rabatdelen. The Mermaid Inn, een pub annex B&B in een dorpje vlak bij Harwich. Handig als ze overmorgen op de boot naar Hoek van Holland gaan.
‘Parkeer maar voor de deur. Er staat nóg een auto op de stoep. Kennelijk geen probleem,’zegt Paul. Het ziet er stil en verlaten uit. Hella parkeert naast het bord Sunday Roast, every Sunday - all day. Gelukkig, er kan dus ook gegeten worden.
Als ze uitstappen komt er een oude zwarte Mercedes de parkeerstoep oprijden. Er stapt een middelbare vrouw uit met een donker knotje, zwarte kleren en donkere bril. Type ‘oude hippie’.
‘Bent u de eigenaar?’ vraagt Hella.
‘Ja, inderdaad.’
‘Wij zoeken een kamer voor twee nachten en we vonden deze B&B gisteren op internet. Heeft u kamers vrij?’
‘Jazeker, kom maar binnen.’
De vrouw gaat hun voor. Het is aardedonker in de pub; die gaat pas om vijf uur ’s middags open. Paul en Hella volgen de vrouw naar boven. Beide tweepersoonskamers zijn beschikbaar, dus ze kunnen kiezen.
‘Nou, deze dan maar. Hier valt het meeste licht binnen en hebben we uitzicht naar twee kanten.’
Dat is snel geregeld.
‘Wilt u onze gegevens noteren of heeft u misschien graag dat we vooraf betalen?’ vraagt Hella, die de afgelopen tien dagen al verschillende varianten van vooraf betalen en inschrijven heeft meegemaakt.
Nee, dat is nergens voor nodig. ‘You’re not going anywhere, are you?’ vraagt de dame.
‘No, not before early Thursday morning,’ zegt Paul.
Nadat ze hun spullen uit de auto hebben gehaald, kijken ze nog een keer goed rond in de kamer. Het is een beetje Spartaans ingericht. Je waant je in een schip met veel houtwerk. Houten bed, houten betimmering tot halverwege de muren, houten binnendeuren en een eenvoudige houten eetkamertafel met twee rechte keukenstoelen. Coffee and tea making facilities, zoals gebruikelijk. Alles ziet er prima verzorgd uit. In de grote inloopkast staan wat privéspullen. Er zit ook een zolderluik in. Naast hun kamer is een dichte deur met ‘private’ erop. Die grenst aan de inloopkast.
Er zijn verder geen gasten. Van de drie beschikbare kamers is er nu dus één bezet. Hella vindt dat een beetje vreemd, omdat het deze vakantie overal nogal moeilijk is om een kamer te vinden. Maar goed, het zal wel. Tijd om de omgeving te verkennen.
Na een wandeling die langer uitvalt dan de bedoeling is, komen Paul en Hella terug in de pub. ‘Zullen we een Guinness nemen?’ stelt Paul voor. ‘Het is ook zo raar om door de pub naar binnen te gaan en dan meteen door te lopen naar boven.’
‘Oké, maar voor mij een halve, anders word ik dronken.’ Paul bestelt twee half pints, wat ze in Engeland maar mietenglaasjes vinden, maar who cares? Het is druk in de pub. De klanten zijn uitgelaten en kijken met onverholen belangstelling naar die rare Hollandse toeristen met hun kleine glaasjes bier. Als Paul wil afrekenen blijken de glaasjes Guinness een welcome drink van het huis.
‘I bet you’re sorry now that you didn’t order a pint,’ grijnst Steve, de barman. Nou, nee. Niet echt. Hella vraagt of ze ook wat kunnen eten. Nee helaas, Steve - tevens echtgenoot van Sue, de dame in het zwart - moet hen teleurstellen.
‘We koken alleen op zondagen, maar als je iets gaat halen dan wil ik de tafel wel dekken in de eetzaal.’ Paul en Hella bedanken voor de suggestie en besluiten vanavond dan maar bij de Thorn te eten. Een restaurant een kilometer verderop. Dat wandelingetje kan er ook nog wel bij. Overal in het dorp ruiken ze de moutfabriek. Er hangt een lauwe, wat weeïge lucht. Ongewoon maar niet onprettig.
Na het eten liggen ze vroeg in bed, zoals meestal tijdens deze vermoeiende wandelvakantie. Nog een beetje lezen en dan zullen ze zo wel in slaap vallen. Maar Hella voelt zich plotseling niet zo lekker. ‘Jezus, ik word me ineens een partij duizelig,’ zegt ze.
‘Hoe kan dat nou?’ vraagt Paul, ‘heb je iets verkeerds gegeten?’
‘Kan ik me haast niet voorstellen. Ik heb niks raars op. Zou het die moutlucht zijn die hier overal hangt? Of misschien zat er wat in de Guinness, haha. Nou ik blijf maar liggen, dan zakt het misschien. Zal morgen toch wel over zijn, hoop ik.’
Paul slaapt vrij snel, maar bij Hella wil het niet lukken. Ze voelt zich ook niet zo happy in het gebouw. Geen andere gasten en het lijkt er op dat de baas en bazin van het spul hier niet wonen. En wat doen al die rare dingen aan het plafond? Een rookmelder die rode bliepjes geeft, een uitsteeksel dat iets wegheeft van een sprinklerkop en nog een brandweerrode alarmmelder. Raar, overkill. En dan die wandpanelen met die gaatjes en gleuven erin. Nog nooit eerder gezien. Toch maar even een raam openzetten. Hella blijft malen, zoals ze wel vaker doet als ze niet kan slapen. Die barman met z’n manke been was toch een rare snuiter. En Sue hoefde onze gegevens niet. En waarom ben ik ineens zo duizelig, vraagt ze zich af. Niemand weet dat we hier zijn. Straks komt er iemand vanuit de ‘private’ kamer via het zolderluik onze kamer binnen. Het liefst zou ze een stoel onder de deurklink schuiven. Zo maalt het door haar hoofd tot ze uiteindelijk tegen half vier in slaap valt.
En ’s morgens weer gewoon wakker wordt. Ze schaamt zich een beetje voor haar gepieker en besluit niets tegen Paul te zeggen over de scenario’s die haar vannacht wakker hielden.
Vandaag willen ze even naar de markt in het dorp om de hoek en daarna nog naar het historische Colchester. Vanavond inpakken en morgen naar huis. Prima hoor. De vakantie was leuk, maar ook lang genoeg.
Bij het ontbijt vraagt Sue hoe laat Hella en Paul de volgende dag vertrekken.
‘Ik wil om kwart voor zeven gaan rijden, want ze beginnen om zeven uur met boarden,’ zegt Hella. ‘We hoeven geen ontbijt, maar misschien wilt u vanavond een ontbijtpakketje klaarleggen? Dat eten we dan onderweg wel op. Dan hoeft u niet zo vroeg op.’ Sue vindt dat opstaan niet zo’n probleem en stelt voor dat Hella en Paul ietsje vroeger beneden komen, dan zet ze nog koffie voor hen. Dat is dan afgesproken. Na een gezellig dagje in Colchester, waar het kasteel wegens renovatie gesloten is, maar de tuinen open, is de vakantie dan toch echt voorbij. Nog een keer lekker eten in de Thorn en koffers pakken. Ook Hella valt deze keer als een blok in slaap.
Zondag
‘Sue, can I have some more of that roast? It’s great. Where did you get it?’‘It’s Dutch prime pork, Joe. As you know, only the best for our guests. I’m expecting a new order on Wednesday. So you’re all invited to join us again next Sunday.’
Instemmende geluiden van de gasten.
‘Nice guys, that couple you had here earlier this week,’ zegt Skipper.
‘Oh yes,’ zegt Sue, ‘very nice couple. Didn’t see them leave, though.’
Maandagochtend
Twee jongens van een jaar of elf wandelen met hun hengelspullen over het smalle bospad naar de beek om te gaan vissen.‘Do you smell that, Tim?’
‘Yes, I smell it too. Look over there, it’s a car. Let’s have a look.’
De jongens lopen naar de plek waar een uitgebrande auto tussen de struiken staat.
‘Hmm, strange,’ zegt Tim. ‘It has the steering wheel on the wrong side. Better call the police.’
Op datzelfde moment draagt Steve een nieuwe gasfles naar de eerste verdieping en draait de deur met ‘private’ erop van het slot.
Labels:
harwich,
mermaid inn,
short story,
sunday roast
dinsdag 18 september 2012
Assertief
In augustus vliegen wij met Ryanair naar Kreta. Door een onduidelijkheid over welk vliegtuig men aan het ‘bevolken’ is, staan wij een kwartier te vroeg vooraan in de rij bij priority boarding. Als je niet ellebogenwerkend naar binnen wil, kun je bij deze maatschappij extra betalen om voorrang te krijgen. Het gewone volk moet maar zien waar het een stoel bemachtigt.
Na een minuutje of tien is de rij al aardig aangegroeid en hinkt er een meneer met een wandelstok op ons af. Aan zijn accent te horen onmiskenbaar een Duitser, die afgezien van dat accent de Engelse taal goed beheerst. Of hij vooraan in de rij mag, want hij is slecht ter been. Ongelukje met de motor. Vervelend. Lang staan is niet leuk voor hem. Omdat wij de beroerdste(n) niet zijn, mag hij vóór ons in de rij. Daar begint hij te gebaren en mimen naar zijn vrouw. Tegen ons: “Aahh, my wife is standing at the back. She’s too shy to come to the front of the line.” Maar, haar assertieve echtgenoot niet tegensprekend, komt zij schuchter naast hem staan. Er ontstaat een gesprekje waaruit voornamelijk naar voren komt dat meneer erg met zichzelf ingenomen is.
Na een minuutje of tien is de rij al aardig aangegroeid en hinkt er een meneer met een wandelstok op ons af. Aan zijn accent te horen onmiskenbaar een Duitser, die afgezien van dat accent de Engelse taal goed beheerst. Of hij vooraan in de rij mag, want hij is slecht ter been. Ongelukje met de motor. Vervelend. Lang staan is niet leuk voor hem. Omdat wij de beroerdste(n) niet zijn, mag hij vóór ons in de rij. Daar begint hij te gebaren en mimen naar zijn vrouw. Tegen ons: “Aahh, my wife is standing at the back. She’s too shy to come to the front of the line.” Maar, haar assertieve echtgenoot niet tegensprekend, komt zij schuchter naast hem staan. Er ontstaat een gesprekje waaruit voornamelijk naar voren komt dat meneer erg met zichzelf ingenomen is.
Op de terugreis zien we hem weer. Nog steeds met stok en moeilijk ter been. De vertrekhal loopt al aardig vol. Bij het boarden weet meneer zich weer naar de kop van de rij te praten. Helaas heeft hij niet in de gaten dat ‘als eerste in de bus’ ook betekent ‘als laatste eruit’ en zo strompelt hij achteraan in de rij de vliegtuigtrap op. Enig leedvermaak is ons hier niet vreemd.
Meneer zit in het vliegtuig vóór ons, op een stoel met extra beenruimte bij de nooduitgang. Helaas, dat vindt de purser niet goed. Jonge kinderen en mensen die slecht ter been zijn, mogen niet in de rij bij de nooduitgang zitten. Veiligheidsvoorschrift. Logisch, vinden wij. Nadat de purser dat allemaal vriendelijk doch dringend heeft uitgelegd ontstaat er een vervelend gesprek waarbij de Duitser zich niet laat ompraten naar een andere stoel. Hij is prima ter been, hij kan uitstekend lopen (kwam zwaar hinkend binnen) en zijn wandelstok heeft hij helemaal niet nodig. De purser haalt de captain erbij. Hij heeft geen zin in ruzie in de tent. De captain legt het beschaafd in zijn beste Engels nog een keer uit. De Duitser is onverbiddelijk. Ter illustratie van zijn fysieke fitheid tilt hij zijn knieën op en stampt hij een paar keer met zijn voeten op de vliegtuigvloer. “I can walk perfectly well, as you can see.” Wij vermaken ons opperbest bij dit toneelstukje.
Slot van het liedje is dat de captain het ook opgeeft en dat meneer blijft zitten waar hij zit. Als we landen en het vliegtuig uitschuifelen, blijkt dat het echtpaar drie opgeschoten tienerzoons bij zich heeft die zich al die tijd elders opgehouden hebben. Willen vast niet graag met hun papa gezien worden. De moraal van dit verhaal: ‘All passengers are equal, but some Germans are more equal than others’.
vrijdag 15 juni 2012
Service
![]() |
| 'Ik kap ermee voor vandaag. 't Is toch niet druk.' Foto: Hedwig Suurmeijer |
Eerst maar een kopje koffie in het Koetshuys. Zo’n stijlvol gespelde naam wekt toch minstens de verwachting van obers m/v die je met gratie komen bedienen en menukaarten waarop je lekkers kunt uitzoeken. Nou, nee. Het Koetshuys doet aan zelfbediening en dat nemen ze zeer letterlijk. Twee grote, industrieel aandoende koffieapparaten met veel knoppen doen dienst als zelftap. Je mag er een kartonnen bekertje onder zetten (zelf uitzoeken onder welk tuitje) en op een knopje drukken. Personeel hangt in een groepje van vijf achter de balie live te chatten. Je mag ze wel wat vragen, maar ze doen niks voor je, behalve afrekenen. MME en ik maken nog wat zoekende buitenlandse baby boomers wegwijs, want het personeel is te druk met hangen. Over de baby boomers een andere keer meer.
Enfin, de cappuccino is in elk geval lekker, ondanks de kartonsmaak. Op naar de kassa van het park voor een kaartje. Bij het kaartje ontvangen we de mededeling dat de overige catering niet open is vandaag, want op zo’n doordeweekse dag is het niet druk genoeg. Ja hallo, daarom komen wij dus op dinsdag, muts. Lekker rustig. En we betalen de volle mep, dus we willen ook alle faciliteiten.
Maar, zegt de mevrouw, we mogen zo vaak als we willen in en uit lopen om in het Koetshuys een versnapering te doen. Ja hallo muts, andermaal. Denk je dat wij van achter uit het park even een frisje komen drinken om dan weer terug te gaan? Maar goed, kan zij het helpen?
Tijdens zo’n urenlange wandeling door het groen moet je
helaas wel een of twee keer een sanitairtje plegen. Nou da’s ook zeker geen
genoegen. Ik durf er een wc-rol om te verwedden dat de plees na het
ongetwijfeld drukbezochte weekend niet meer schoongemaakt zijn. Waarom zou je
ook, het is toch niet druk?
De tuinen zijn prachtig. Daar hoef ik niks over te
verklappen. Dat doet u maar lekker zelf een keer. Neemt u op een doordeweekse dag
dan wel wat te picknicken mee, want er is plek zat op de terrassen. Een Toly
toilet seat en een paar lieslaarzen voor
de plassessies en je bent helemaal klaar om te gaan. Veel plezier.
Labels:
Arcen,
kasteeltuinen,
koetshuys,
koffie,
service
donderdag 12 april 2012
K*tzooi!!
![]() |
| Foto: Hedwig Suurmeijer |
Mama had wel zin in zo dagje bij haar dochter en schoonzoon."Ik wil er wel eens even uit; ik zit hier maar hele dagen tussen al die mensen die allemaal wat mankeren." Nou, er wordt behoorlijk wat voor haar georganiseerd, dus eigenlijk heeft ze niet zoveel te klagen. Er is de muziekochtend, de gymochtend, de kapper, de vrijwilligster, de gezelschapsdame tweemaal per week, de dochter (moi) die elke woensdag haar zorgding doet, de andere kinderen die regelmatig opdraven, de braderieën, de optredens, etc. etc. Dat alles om haar van de straat te houden. Maar als je geen kortetermijngeheugen meer hebt, dan is het net of er nooit wat leuks voor je is. Daar worden wij af en toe nogal moe van – understatement.
Enfin, moedertje terug naar huis dus. De zorgdames roepen al van verre "Aah, daar is mevrouw S. Ziet u wel meneer B, mevrouw S is ook alweer terug." Inderdaad, de groep is weer compleet; alle families hebben hun verloren schapen weer afgeleverd. In de gezamenlijke woonkamer zitten twee rolstoelers. Terwijl ik nog wat kleine dingen regel, staat mijn partner in de deuropening geduldig te luisteren naar een van de bewoners: "Jaha, je moet weten, ’s middags en dan kun je dat maar beter niet doen, u bent er toch weer, u en die… ehhh, nou ja, zo is het toch, en dan Becel ..." en woorden van gelijke strekking, waarop partner met een stalen smoel gevat insteekt: "Ah, Becel. Dus geen Blue Band?" Waarna de krantlezende meneer in de rolstoel het gebabbel van zijn medebewoonster helemaal kotsbeu is en ons toevoegt: "Godverse kutzooi, kutzooi, godverdomme. Kutzooi, kutzooi, godverse kutzooi." Waarop mijn partner verzucht: "En dat is het."
Nadat wij mama veilig in haar kamer hebben geïnstalleerd met een kopje koffie en de deur dicht tegen de schuttingtaal, verlaten wij met enige opluchting haar Alzheimer- en Gilles de la Tourettecollega’s die nog even doorpruttelen in de woonkamer. Wat een ***zooi!
donderdag 8 maart 2012
Koffie
De lekkerste koffie drink je thuis. En daarmee is eigenlijk alles gezegd, ware het niet dat ik er toch even over wil doorzeuren. Mijn eerste Starbucks dronk ik in 2006 in Sydney. Een achterlijk grote kop slap bocht met een supersize chocolate chip cookie. Het cookie stal de show. Daarna heeft er nooit meer een Starbucks toegang tot mijn slokdarm gehad. In de meeste restaurants, eetcafés, instellingen, buurtcentra en andere koffieschenkgelegenheden is het verdrietig gesteld met het bakkie pleur. Glimmende, indrukwekkende machines geven een ondefinieerbaar bruinig goedje af dat nergens naar smaakt. De cappuccinovariant waar ik meestal voor ga is van een nog grotere treurigheid, maar ik trap er steeds weer in.
Ik vond het altijd nogal sneue types, de koffiedrinkers bij Albert Heijn. Bij de koffietap vind je de lokale zwerver en – zo zag ik dat – de zuinige mededorpeling die het niet kan laten op kosten van een ander snel een kopje koffie te scoren. Zoals ik ook altijd wat meewarig gadesla hoe mensen de uitstallinkjes kaasblokjes en worst te grazen nemen.
Totdat mijn huisband en ik na een lange middag gedoe buitenshuis nog even de avondmaaltijd bij elkaar moesten scharrelen bij Appie H. En wat hadden we een zin in koffie. Met enige schroom tapten we allebei een bekertje koffie uit het niet al te ingewikkelde apparaat (keuze: espresso of café crème). En Jezus, wat een LEK-KE-RE koffie! Of het aan de koffie ligt of aan het apparaat kan ik helaas niet zeggen, maar ik raad elk café, restaurant, zorgcentrum en buurthuis aan hun glanzende, peperdure, onderhoudsintensieve apparatuur eruit te gooien en over te stappen op de AH-configuratie. Als u dan voor mij een beetje melk pimpt met een opschuimertje van Blokker of de Hema (dubbeltjeswerk qua aanschaf) dan ben ik ook weer tevreden. En u begrijpt het: tegenwoordig kunt u mij zomaar bij Albert Heijn tegenkomen met een bekertje koffie op mijn winkelwagen. (Af en toe, want ik vind het nog steeds een beetje lullig.) Sneu type!
Ik vond het altijd nogal sneue types, de koffiedrinkers bij Albert Heijn. Bij de koffietap vind je de lokale zwerver en – zo zag ik dat – de zuinige mededorpeling die het niet kan laten op kosten van een ander snel een kopje koffie te scoren. Zoals ik ook altijd wat meewarig gadesla hoe mensen de uitstallinkjes kaasblokjes en worst te grazen nemen.
Totdat mijn huisband en ik na een lange middag gedoe buitenshuis nog even de avondmaaltijd bij elkaar moesten scharrelen bij Appie H. En wat hadden we een zin in koffie. Met enige schroom tapten we allebei een bekertje koffie uit het niet al te ingewikkelde apparaat (keuze: espresso of café crème). En Jezus, wat een LEK-KE-RE koffie! Of het aan de koffie ligt of aan het apparaat kan ik helaas niet zeggen, maar ik raad elk café, restaurant, zorgcentrum en buurthuis aan hun glanzende, peperdure, onderhoudsintensieve apparatuur eruit te gooien en over te stappen op de AH-configuratie. Als u dan voor mij een beetje melk pimpt met een opschuimertje van Blokker of de Hema (dubbeltjeswerk qua aanschaf) dan ben ik ook weer tevreden. En u begrijpt het: tegenwoordig kunt u mij zomaar bij Albert Heijn tegenkomen met een bekertje koffie op mijn winkelwagen. (Af en toe, want ik vind het nog steeds een beetje lullig.) Sneu type!
Abonneren op:
Posts (Atom)



