maandag 4 oktober 2010

Bah!

In september waren wij op Sumatra. We maakten een rondreis langs vier Indonesische eilanden waarvan Sumatra het eerste was. Deze 28-daagse trip braken we op dag elf af omdat mijn vader overleed. Tien dagen daarna was het de beurt aan mijn schoonmoeder. Beiden waren al een eind in de tachtig, dus je weet dat het eraan komt. Maar dat is helaas geen troost.

We hebben dus niet alle vier de eilanden gehad, maar wel Sumatra en een stukje Java. Wat mij het meest opviel in deze elf dagen was het vuil. Het afval dat letterlijk overal neergepletterd was alsof de natuur het zelf wel zou opruimen. Niet alleen op straat in de steden (daar was het zeker het ergst), maar ook langs de route. Tijdens een trekking door de jungle wandelden we door een rivierbedding. Een klein stroompje was er nu maar; het heftige regenseizoen moest nog beginnen. De bedding lag bezaaid met troep. Schoenen en slippers, plastic flessen, gescheurde vuilniszakken, blikjes, afgekloven botjes van kip, koe of lam, takken en stukken hout, slierten onduidelijk spul en ander ongerief. Je weet precies wat er met deze verzameling gebeurt wanneer het regenseizoen het water in de rivier doet rijzen. Plasticeiland in de Atlantische Oceaan misschien?

Over de toilethygiëne onderweg ga ik het niet hebben. Use your imagination. Gelukkig was er ook veel moois te zien op Sumatra. Minder mooi zijn weer de palmolieplantages. De keurig in het gelid geplante bomen zijn op zich niet zo weerzinwekkend, ware het niet dat je weet dat er jungle voor gekapt is. Dan worden de uitgestrekte plantages ineens een stuk minder prettig om te zien. Orang Utans vinden gelukkig in de nationale parken nog een veilig plekje om een beetje rond te hangen en lui van boom naar boom te slingeren.

Top of the bill qua viezigheid was Jakarta. We zaten in het oude stadsdeel Kota, het vroegere Batavia. De reisgidsen beloofden een historische plek vol herinneringen aan de VOC-tijd (en -architectuur). Op die VOC-tijd hoef je overigens niet heel trots te zijn, meneer Balkenende. U verwees er graag naar tijdens uw premierschap, maar dat zou ik nooit meer doen als ik u was.
Enfin, Jakarta stonk. En niet heel weinig. Wij huisden met ons reisgezelschap in Hotel Batavia. Romantischer kan het haast niet klinken. Op het hotel zelf was weinig aan te merken. Oude chique met tapijten waarin je wegzakte en lobby’s waarin hele dorpen konden wonen (als ik bedenk wat wij onderweg aan schamele behuizing hebben gezien voor grote leefgemeenschappen). Het was de locatie. Voor de deur liep een gracht - naar Hollands voorbeeld aangelegd. Die was ondiep, had een wazig groenige kleur en er dreef van alles in. De stank was overweldigend. De ratten schoten letterlijk voor je voeten de ‘boulevard’ over, de goot in. Het water kolkte en borrelde op sommige plaatsen.



Na een bezoek aan het belangrijkste plein van Kota, waar inderdaad mooie gebouwen en musea te bezichtigen waren, wilden we wel een hapje eten in China Town. Dat lag een wijk verder, zuidwaarts. Dat konden we wel te voet. Rondkijken in Indonesië doe je niet al lopende, want dan stap je gegarandeerd in een gat, kuil of stinkende plas. Veilig is het dus om naar beneden te kijken en met een schuin oog naar het verkeer zodat je niet van de sokken gereden wordt. China Town was een teleurstelling. In het rijtje vies-viezer-viest had China Town de hoofdprijs. Normaal zou je nog het pittoreske laten prevaleren boven het gebrek aan hygiëne, maar dat kon hier niet. Weinig pittoresk, schokkend gebrek aan hygiëne. De stalletjes met etenswaren en groente stonden boven het open riool waar – alweer – de ratten ook overdag op hun gemakje rondscharrelden. Gelukkig, kan ik nu zeggen, vonden we geen restaurant en hebben we bij een buurtsupertje rollen koekjes en zoutjes gehaald. Het plastic gooiden we in een prullenbak (jawel) die naast de winkeldeur stond. Nu maar hopen dat die niet in de goot geleegd is.
We willen de reis ooit afmaken. Het vervolg beloofde nog veel moois. Jakarta laten we aan ons voorbij gaan. Dat is in mijn geval: twee keer maar nooit weer!



Zomaar een straat in Kota - Jakarta




donderdag 15 juli 2010

Tien

Er een blog op na houden heeft weinig zin als je niet af en toe wat schrijft. Ik weet het. Na een intermezzo van enkele weken waarin vakantie, zorg, geboortes en andere menselijkheden zich in vlot tempo aandienden en afspeelden binnen de familie, ben ik weer bij de les. Ik overtreed hier meteen een van de regels van goed schrijfwerk: geen metacommunicatie! Toch gedaan. Burgerlijk ongehoorzaam.

Zal ik wat over mijn opwinding rondom het oranjevertier vertellen of heeft u daar ook de buik van vol? Of over de schertsvertoning rondom de verkiezingen met bijbehorende formatietango’s die we voorbij zien komen? Nee, zucht, geen zin in. Het moet over een andere boeg. Ik ga persoonlijk worden. Ik ben te zwaar. Niet zomaar een kilootje, nee, wel tien. Dat is misschien peanuts voor iemand die veertig kilo boven zijn streefgewicht dobbert, maar vijf van die tien zijn wel heel snel op mijn buik neergestreken. Mijn huisarts vermoedt dat ik teveel eet in verhouding tot mijn fysieke inspanningen die momenteel inderdaad vrijwel non-existent zijn. Maar wat dat teveel eten betreft teken ik protest aan. Er heersen geen eetstoornissen in dit gezin en alles gaat zeer met mate. We kwamen aan het eind van het consult tot de afspraak dat minderen met zout en koolhydraten wat op kan leveren. Nu vind ik brood superlekker – vooral zelfgebakken in zo’n handig apparaat dat ook bij ons op het aanrecht huist – en van rijst of pasta ben ik ook niet vies. Een leven zonder soepje (immers vaak zout!) kan ik me niet goed voorstellen. Flauwe soep=slappe hap. Maar nee, echt dokterfranken zal het niet worden. Ik doe liever aan zelfdiëtisering – mag ik dat woord even introduceren? Minder, magerder of gezonder eten kan hier in huis bijna niet. We doen al aan: groenten en fruit, vis, vleesvervangers, halfvolle zuivel, volkorenspul allerlei, geen jus of boter maar olijfolie en nog een ritsje verantwoord voer. Vers staat hier hoog in het vaandel en de kant-en-klaar- of afhaalhappen zijn in dit huishouden jaarlijks op één hand te tellen. Nou vooruit, op twee handen; een van mij en een van P. Daar zit het probleem dus niet zou je denken. Dan maar schrappen. No more tatties, sandwiches, noodles, nice rice dishes and other filthy carbs. Huh, ik ga even een peertje eten. Wie heeft er nog geen broodmachine? Binnenkort te koop op dit adres.

zaterdag 3 april 2010

Niet voor de poes

Wij hebben een poes. (Nee, dit wordt geen Carmiggelt of Campert.) In oktober wordt ze twaalf. Ongeveer oktober, want helemaal precies weten we het niet. Haar geboortebewijs zat er niet bij, die twaalf jaar geleden. Poes Kiki is een duur portret. Ze lust alleen nog Sheba; alle andere prakjes van appie heijn, super de b. en andere kattenvoerproviders vindt ze niet te vreten. En, ze lust niet elke Sheba-hap, maar alleen die met lam en kip; reepjes graag, geen paté. Dankuwel.

U voelt het: poes is een persoonlijkheidje. Verder brengt haar bestaan nog wat andere uitgaven met zich mee. Elke keer als wij met vakantie gaan, gaat zij ook. Naar het kattenhotel, à zeven euro per dag. Wij zijn nogal eens op pad, en soms ook langdurig, dus bij onze vakantiekosten tellen we altijd zo’n honderd tot tweehonderd euro kattenhotel op. Ze is doorgaans niet heel erg blij met haar vakanties en zet steevast haar klauwen in de kattenhotelier, die gelukkig wel wat gewend is. Om daar te mogen vertoeven, moet poes ingeënt zijn. Elk jaar een cocktailtje. Een wormenkuur doen we er voor het gemak ook nog bij; better safe than sorry. Zo’n bezoekje loopt al gauw op tot een tientje of zes, zeven.
Ik ga niet rekenen, want dan schrik ik, maar u begrijpt dat die tweeënhalve kilo kat (het is maar een kleintje) een fikse duit kost. Maar er zijn grenzen.


Vorig jaar was ik voor de jaarlijkse controle weer in de dierenkliniek. Dit keer in de vestiging een dorp verderop, want de afspraak in ons eigen dorp moest ik annuleren. Poes liet zich niet op tijd vangen en was ‘m gesmeerd. Enfin, naar het volgende dorp dus. De dierenarts (v) liet me binnen en begon poes te bekijken, bevoelen en beluisteren. Hoort erbij voor die prijs. Met de stethoscoop in haar oren en het andere uiteinde tegen poes heur borstkasje sprak de dierenarts de historische woorden: “Weet u dat uw poes een hartruisje heeft?” Ik keek haar meewarig aan: “Nee, nooit eerder gehoord. Goh!” Veel meer viel er volgens mij niet over te zeggen. Maar dat had ik mis. “Daar kunnen we wel wat aan doen hoor! U kunt een afspraak maken in onze andere kliniek voor een scan en een röntgenonderzoek. Dan stellen we een diagnose en kunnen we zien hoe verder.” Ik trok mijn wenkbrauwen eens op. Dat leek me niks. Dat ging ik vertellen. “Mevrouw, ik ben realist. Poes is een dier, we zorgen goed voor haar. Maar, ze is elf en als ze op is, is ze op.” Nog was ik niet klaar met de dierenvriendin. “Ja, maar dat willen we toch zeker zo lang mogelijk uitstellen?” Haar blik begon al wat te verharden. Ze had hier kennelijk te maken met een harteloos bazinnetje die geen euro teveel aan haar huisdier wilde spenderen. Ik trok vijf minuten later de deur achter me dicht met een ingeënte poes, een wormenkuur, een folder over hartonderzoek bij poezen en een paar priemende ogen in mijn rug. “Ik zal er eens over nadenken, dan hoort u het wel van me.” De folder heeft het niet erg lang gemaakt hier in huis.

Poes rent een klein jaar na dato nog als een razende schicht door huis en tuin en heeft onlangs de allang afgeleerde gordijnenklimtruc weer nieuw leven ingeblazen. Ze racet de buffetkast op, springt via containers, tafels, schuurdeuren en schuttingen de tuin uit en beloert en bejaagt alle vogels, groot en klein. Hartruisje? Handicap hoor!

Eergisteren zag ik een itempje bij het nieuws en gisteren in de krant: chemokuur en bestraling voor huisdieren met kanker. U begrijpt zeker wel hoe ik daar over denk?

woensdag 17 maart 2010

Taalvouten

Een tijdje geleden startte iemand op LinkedIn een discussie met als titel en onderwerp ‘Vallen taalvouten jou ook gelijk op?’ Tot vandaag ontving hij een kleine 130 reacties. Sommige leuk, andere van taalmierenneukers. Vooral die reacties geven een mooi inkijkje in de betweterigheid van taalpersonen. Ik ben er zelf een, dus ik mag het zeggen. Taalfouten; mijn favoriete (volks)krantje kan er soms ook wat van. Een hele pagina vol tekst (nu nog geen tabloid, dus veel tekst op één pagina) en die t waar een d hoort springt mij bij het omslaan van de pagina tegemoet. Zonder vertraging. Jammer, want van de krant verwacht ik smetteloze taal. Maar dat is niet redelijk. Zo’n dt-fout (schrijf je dat zo?) kan best een tikfout zijn, maar hij ziet eruit alsof de redacteur zijn of haar moerstaal niet beheerst.

Toch vind ik taalfouten soms niet erg. Ik was ooit juf Nederlands en Engels en moest het beroepshalve heel erg erg vinden. Inmiddels ben ik van de preciezen naar de rekkelijken opgeschoven: communiceren is belangrijker dan punten op de i. Ik licht het even toe.

Sinds een paar jaar ben ik lid van het legioen der (diepzee)duikers. Dat is een divers gezelschap, so to speak. Bij die sportieve activiteit hoort ook het lidmaatschap van een paar informele verenigingen en bijbehorende mailgroepen. Nou, daar komt wat voorbij hoor, aan taaljuweeltjes. Laat ik dat nou helemaal niet erg vinden. Ik heb zelfs grote bewondering voor leden die over hun dyslexie of taalangst heenstappen en hun berichtje toch posten. Hun boodschap komt altijd over en ik heb liever dat ze een beetje gemankeerd schrijven dan helemaal niet. Bovendien zijn zij toevallig retegoed in hun eigen vak, waarvan ik meestal weer geen kaas gegeten heb.

Dus ja, taalfouten vallen mij ook meteen op. Vooral de fouten van iemand anders. En daar zit hem het probleem. Die van mezelf zie ik soms over het hoofd. Dat is een vrij normaal verschijnsel. Je ziet wat je denkt te zien, en niet wat er staat. Soort trompe l’oeil van de taal. Zo heb ik onlangs mijn website vernieuwd. Nieuw format, ander programma, tekst beetje bijgepoetst. Lange dagen en nachten zitten klussen. Alles tot vervelens toe doorgelezen. Midden in de nacht de handel online gezet. Nog één keer gekeken en toen lekker naar bed. Tot ik een weekje later nog eens ging kijken of alles er nog een beetje strak bijstond. Op de eerste pagina van mijn site stond pontificaal al een hele week een megantische taalfout. Helemaal zelf gemaakt en niet gezien.

Uw taalkundige verbeteringen op dit blogje zijn van harte welkom.
(Via het contactformulier op mijn site.)

zaterdag 27 februari 2010

Seks en de kerk

Het was een kwestie van tijd, maar ook in Nederland komt de waarheid boven tafel. Mannen in ‘geestelijke’ beroepen zijn niet altijd brave jongens. Sommigen proberen heiliger te zijn dan de paus door homo’s een blaadje ouwel of stukje brood te ontzeggen, anderen kunnen niet met hun bewierookte handen van kleine jongetjes afblijven. En waarschijnlijk ook niet van kleine meisjes, maar dat nieuws volgt natuurlijk nog. Wat zijn die priestly child molesters nou eigenlijk? Pedo’s of homo’s in de kast die geen gelijkwaardige relatie met een man aandurven omdat ze dan – en dat is nog het minste – niet meer ter communie mogen. Daarom doen ze het met kleine jongetjes. Die zijn nu opgestaan. Chapeau, ik ben trots op jullie. Mocht Nederland alweer(!) denken ‘dat zoiets hier niet kan gebeuren’, dan hebben jullie terecht de schellen voor de laaglandse ogen verwijderd.

Ik ben gek op kerken. Ik kom er dan ook graag en tijdens vakanties bezoek ik bezienswaardige kerken, kathedralen en kapellen. Maar met de representanten van de kerk en met het geloof heb ik niet veel op. Niets eigenlijk.
Het verbaast mij dat weldenkende, intelligente, belezen mensen die zich met serieuze zaken in het leven bezighouden en zich verdiepen in mens en maatschappij een geloof kunnen aanhangen. Een geloof dat is samengesteld uit verhalen die zodanig zijn aangepast dat ze de alleen informatie bevatten die het instituut kerk welgevallig is. De mannen in jurken bepalen hoe het zat en hoe het zit. Wat je wel en niet mag denken, doen, geloven. Voor henzelf gelden uiteraard andere regels. Zij leggen geloftes van armoede af, maar struikelen over het goud. Zij kiezen voor het oog van het kerkvolk voor het celibaat, maar zitten in het geniep met hun dikke vingers aan kleine piemeltjes. Zij geven homo’s geen hostie, maar hun Jezus van N. zou waarschijnlijk iedere hongerlijder een stuk brood hebben gegeven.

Beste homo’s van Nederland. Als jullie behoren tot de weldenkende mensen van deze eeuw, dan keer je het fossiele instituut ‘kerk’ de spreekwoordelijke rug toe. Laat de jurken en mijters hun rituelen en vier samen een ander feestje. Breek een broodje, drink een slok wijn. Toost op het leven en ga je eigen weg. Ik ben dan geen priester en geen paus, maar mijn zegen hebben jullie.

vrijdag 19 februari 2010

Galapagos

Toen ik tien jaar geleden plannen maakte voor een verre reis kwam Ecuador in beeld. Met een verlenging op de Galapagos-eilanden. Uit informatie in de reisgids en andere bronnen bleek dat zo’n Galapagos-avontuur aan strikte regels gebonden was. Om de eilanden te beschermen mocht je alleen per boot reizen, moest je op de boot overnachten en werd je verondersteld niet op de eilanden te verblijven. Je mocht enkele ervan bezoeken voor korte dagtrips. Het aantal boten met dagbezoekers was aan strikte quota gebonden. De eisen aan reinheid van kleding, schoeisel enzovoorts waren niet mis. De reis was exorbitant duur. Dit alles om de natuurlijke staat van de eilanden zo goed mogelijk intact te houden en bezoek zoveel mogelijk in te dammen. Zeer begrijpelijk allemaal en ik had geen problemen met deze voorwaarden. Om minder belangrijke redenen heb ik toen uiteindelijk voor een andere reis gekozen; ook mooi.
Elke zondagavond kijken wij naar Beagle: in het kielzog van Darwin, een tv-programma waarin de reis die Charles Darwin tussen 1831 en 1836 maakte dunnetjes overgedaan wordt door een aantal lucky bastards die mee mochten op de clipper Stad Amsterdam. Afgelopen zondag kwamen zij aan op de Galapagos. Een pissige Dirk Draulans – evolutiebioloog – kon zijn frustratie en woede over wat hij daar zag nauwelijks bedwingen. Naarmate het programma vorderde, raakten ook wij steeds meer in shock. Toeristen overspoelen de eilanden, vliegtuigen vliegen af en aan, Ecuadorianen van het vasteland trekken naar de eilanden om een graantje mee te pikken van de 'welvaart'. Er wordt gebouwd en nog meer gebouwd. Vuilnis en puin verpesten delen van de ‘ongerepte’ natuur. Honden van bewoners fokken er op los en bedreigen de natuurlijke fauna. Waar voorheen de zeeleeuwen op een strandje lagen, is nu een stenen boulevard. De onderzoekers en natuurbeschermers ter plekke schetsen een somber beeld: de Galapagos zijn eigenlijk al verloren. In korte tijd verziekt, door ons, de mens. Waar is die strenge regulering gebleven die ik tien jaar geleden nog tegenkwam? Wat doet de regering van Ecuador? Wat doen de grote internationale natuur- en milieuorganisaties om het tij te keren? Wat doet de Unesco? De Galapagos staan op de werelderfgoedlijst, maar sinds 2007 met een rode stip. Dat is geen hoera-aanduiding maar een teken dat het er erg slecht gaat. Er zijn stichtingen opgericht voor het behoud van de eilanden, maar ook zij geven bezoekerstips en reisinformatie. Volgens mij is er maar één tip aan reislustige types die graag al het moois van de wereld zien: Mijd de Galapagos de komende decennia. Misschien komt het dan nog een beetje goed. Neem even genoegen met de filmbeelden, artikelen en fotoreportages die al door anderen zijn gemaakt en ga lekker ergens anders heen. Wij gaan zeker niet! Dat scheelt helaas maar twee toeristen. Wat doet u?
En een oproep aan de reisorganisaties: neem een beetje extra verantwoordelijkheid en schrap de Galapagos uit uw reisaanbod. Net zoals u dat doet wanneer het in een gebied niet veilig is voor uw reizigers.
Hartelijk dank, namens alle vinkjes, zeeleguanen, schildpadden, blue-footed boobies en andere oorspronkelijke bewoners.
Bezoek de werelderfgoedlijst http://whc.unesco.org/en/list

dinsdag 2 februari 2010

Nuance

Laat ik het maar zeggen. Ik ben een klimaatscepticus. Zo, pfeww dat is eruit. Als je vandaag de dag durft te zeggen dat je klimaatscepticus bent, dan word je meteen gebombardeerd tot rechtse rakker die niets met het milieu opheeft en in een grote benzineslurpende SUV over Neerlands wegen wil scheuren. Niets is minder waar als het om mijn persoontje gaat. Tijd dus voor de nuance. Ik heb de hype rondom Al Gore destijds met verbazing gadegeslagen en heb me toen al voorgenomen er niet zomaar in mee te gaan. Ik houd niet van hypes. Inmiddels weten we dat het IPCC-rapport zich zo’n driehonderd jaar vergist heeft in de smeltende gletsjers. Dat is geen reden om te zeggen dat er dus niks aan de hand is, en dat zal ik dan ook niet doen. Driehonderd jaar is niks. Ze smelten en ze smelten snel. Sneller kennelijk dan goed is voor onze huidige levende natuur (mens, plant en dier, niet noodzakelijk in die volgorde). Met de nadruk op ‘huidige’. Ik heb al mijn hele leven de behoefte zaken te willen zien in het ‘grotere geheel der dingen’ of zoals het Engels daar een betere uitdrukking voor heeft the grand scheme of things. En in dat grote ‘plan’ hebben wij zo bar weinig te betekenen; hebben wij betrekkelijk weinig invloed en regelt moeder aarde haar zaakjes door de geologische tijdperken heen over het algemeen aardig. Gaan wij nu denken dat we dat mooie zelfonderhoudende systeem de laatste honderd jaar met onze miezerige hebberigheid en consumptiedrang de baas zijn geworden? Wat een arrogantie. Overbevolking? Jazeker, en de aarde, de natuur, het zelfregulerend vermogen of hoe je het ook noemen wilt deelt af en toe een schop uit. Teistert ons met aardbevingen, nieuwe en oude ziektes, tsunami’s, overstromingen enzovoort. Om de bevolkingsgroei een beetje in te dammen, denk ik dan wel eens. Waar wij vervolgens weer van alles op proberen te vinden. Torenhoge flatgebouwen die aardbevingbestendig zijn, vaccinaties tegen de Mexicaanse en andere griepsoorten, waarschuwings- en evacuatieprocedures bij grote rampen. Het blijft een beetje een strijd en afwachten wie er gaat winnen: wij, de grote gebruikers of hij/zij de aarde, die zoals hierboven gesuggereerd is eigenlijk altijd al gewonnen heeft. Ik ben niet zo bang voor die opwarming; er is maar één grote vulkaanuitbarsting nodig om de temperatuur in de atmosfeer weer te laten afnemen. En gebeurt dat niet, dan moet die opwarming er op den duur misschien gewoon komen omdat het geologisch en klimatologisch gezien tijd is voor verandering. Er ontstaat een nieuwe wereld waarin sommige soorten overleven en andere niet. Waarin nieuwe soorten een kans krijgen en waarin de soort ‘mens’ een stapje terug moet en een bescheidener rol gaat spelen of misschien compleet verdwijnt. Tot die tijd pleit ik voor respect voor de natuur, zorg voor het milieu, matiging van onze consumptieve behoeftes, acceptatie van het feit dat we niet allemaal 85 worden en dat sommigen van ons zich niet zullen voortplanten. We blijven met onze poten van het tropisch regenwoud af en vissen de oceanen niet leeg. We zoeken naar alternatieven voor hen die daar hun levensonderhoud uit halen. We proberen te onthaasten omdat niet alles gisteren klaar hoeft en we lopen niet achter elke hype aan. And last but not least: we accepteren dat we natuur en aarde niet naar onze hand kunnen zetten. Daar zijn we te onbeduidend voor in the grand scheme of things.